Een lange krulstaart is een keurmerk op zichzelf

Landbouw

Al generaties lang worden varkens in Nederland gecoupeerd: de krulstaart wordt teruggebracht tot een stompje, zodat varkens elkaar niet in de staart bijten. Maar couperen heeft zijn langste tijd gehad.

In Nederland worden zeker 98 op de 100 varkens gecoupeerd, Varkenshouder Johnny Hogenkamp, is daarmee gestopt.

Wie een varken wil begrijpen, hoeft maar naar zijn staart te kijken. Het is niet anders dan bij honden. Die big daar, wijst varkenshouder Johnny Hogenkamp (52), die heeft het staartje kaarsrecht naar beneden hangen. Het is een wat mager exemplaar, kleiner dan de rest ook. „Spits in de rug”, noemt Hogenkamp dat. Eentje om in de gaten te houden.

Maar de andere biggen lijken zich te vermaken. Ze hollen heen en weer in hun hok. Hun staartjes, roze sliertjes, zwiepen van links naar rechts: ze kwispelen.

Bij zijn volwassen varkens groeit zo’n staart uit tot een centimeter of dertig. Als het goed is, zit-ie lekker in de krul, met aan het eind een stevig kwastje.

Hele generaties varkensboeren kennen zo’n staart eigenlijk niet. In Nederland worden zeker 98 op de 100 varkens gecoupeerd, waarna alleen een stompje overblijft. Dat gebeurt al tientallen jaren. Want hoe langer de staart, hoe groter de kans dat andere varkens erin bijten. Alleen bij biologische varkens mag couperen niet.

Toch lijkt de korte staart zijn langste tijd gehad te hebben. Dierenwelzijnsorganisaties als Wakker Dier en Varkens in Nood protesteren er al tijden tegen. Zowel de Nederlandse als de Brusselse politiek wil zo snel mogelijk stoppen, net als boerenorganisaties.

Echt opschieten doet dat nog niet. Proeven met lange staarten mislukten meer dan eens. Veel varkenshouders zijn dan ook sceptisch. Een korte staart voorkómt juist leed, zeggen zij.

Inmiddels is couperen een hoofdpijndossier van de varkenshouderij. Waarom is stoppen zo moeilijk? En hoe lukt het dan wel?

Lees ook over het Friese dorp Hemelum: Varkens verdelen dorp - 'it stjonkt'

Als een soldeerbout

Eerst even dit. Hoe gaat couperen eigenlijk? In zijn varkensbedrijf in het Overijsselse Dalfsen legt Johnny Hogenkamp dat uit. Het hulpmiddel is een roestvrijstalen karretje, dat hij aanwijst op de gang. Dat karretje kan alles wat een boer maar met een jonge big zou willen. Extra ijzer toedienen bijvoorbeeld. Een oormerk zetten. En een stukje van zo’n staartje verwijderen.

Dat is in een seconde of twee, drie gepiept. De big in de ene hand, de staart in de andere. „Je drukt de kont hier tegenaan”, wijst Hogenkamp. „Dit mesje wordt oranje, als een soldeerbout.” Staartje ertegenaan, beetje duwen, beetje rook en hop, er valt een paar centimeter af. Vroeger gebeurde dat dan duizend keer per week: zoveel biggen worden hier geboren.

Couperen gebeurt sinds de jaren vijftig, toen de varkenshouderij grootschaliger werd. Boeren gingen meer varkens houden en concurreerden onderling flink op kostprijs. Voor de consument betekende dat: goedkoop varkensvlees. Maar het resulteerde ook in staartbijten. Met het bijten kwamen ontstekingen, soms tot in het ruggenmerg aan toe.

Couperen is symptoombestrijding, zeggen critici. Zij vinden dat de oorzaak van het bijten weggenomen moet worden.

Eigenlijk mag routinematig couperen binnen de Europese Unie al ruim 25 jaar niet meer, tenzij andere maatregelen tegen bijten niet helpen. In de praktijk maken bijna alle Nederlandse varkensboeren gebruik van deze uitzondering. Al wil minister Carola Schouten (Landbouw, ChristenUnie), aangespoord door de Europese Unie, echt aan de slag: begin volgend jaar moet de sector met een serieus plan komen.

Het is niet zo gek dat het lang duurt, want staartbijten voorkomen ís ook ingewikkeld, zegt Geert van der Peet, onderzoeker van Wageningen Livestock Research. Zelfs zo ingewikkeld dat de breed gesteunde Werkgroep Krulstaart, in 2012 opgericht door boerenorganisaties en Dierenbescherming en ondersteund door Wageningen, haar doelstellingen niet haalde.

Dat komt, legt Van der Peet uit, doordat staartbijten zoveel verschillende oorzaken heeft. Het ene varken bijt omdat het ziek is. Het andere bijt uit frustratie, omdat-ie zich verveelt. Omdat de lucht in de stal veel ammoniak bevat. Of omdat andere varkens eerder te eten krijgen. „Varkens zijn heel sociale dieren die gewend zijn om gelijktijdig te eten”, zegt Van der Peet. In stallen eten ze vaak om de beurt. „Dat gaat tegen het natuurlijke gedrag in.” Daarnaast zijn ze ook nog eens „ongelofelijk slim”.

Johnny Hogenkamp noemt de kwaliteit van het eten als één van de belangrijkste factoren. Hij maakt het voer zelf. Dat kan omdat hij een relatief groot bedrijf heeft: naast de biggen heeft hij 2.600 vleesvarkens en 1.600 zeugen. Gewoon voer voldoet vaak niet, omdat het schimmels kan bevatten waar varkens buikpijn van krijgen.

Bij de meeste varkens ben je dan al een heel eind, zegt Hogenkamp. Maar in een hok heb je vaak wel een of twee „onruststokers”. Hij heeft er een extra voltijdskracht voor aangenomen, die in de gaten moet houden wanneer de varkens ongedurig worden. Op zo’n moment laten ze zich nog niet zo makkelijk afschepen. Soms hangen boeren bijvoorbeeld een balletje op in de stal als afleidingsmateriaal, zegt Hogenkamp, maar daar zijn de varkens na een paar uur wel op uitgekeken.

Wat wel werkt: een jute zak die ze aan stukken kunnen trekken, of een handvol gedroogde luzerne, een plantensoort, waar ze in kunnen wroeten.

Zelfs activisten welkom

Geregeld komen mensen naar Dalfsen om te kijken naar de krulstaarten. Hogenkamp is een bekende in de varkenswereld. Je kunt ervan uitgaan dat elk bewindspersoon op Landbouw wel een keer langs gaat. En tot onbegrip van sommige collega-boeren zijn bij hem zelfs dierenactivisten welkom. Dat doen ze allemaal omdat Hogenkamp vaak snel vernieuwingen doorvoert. Zo hield hij twintig jaar terug al op met het castreren van beren. Deels uit idealisme, deels omdat hij aanvoelt welke kant het opgaat met de veehouderij. En hij vindt het leuk om nieuwe dingen uit te proberen, dat helpt ook.

Twee jaar geleden stopte Hogenkamp samen met een aantal collega-boeren met couperen, aanvankelijk met een klein deel van zijn dieren. Dat was op verzoek van de grote Duitse slachter Tönnies en varkenshandelaar Schuttert, waaraan Hogenkamp levert. De varkens – die meer opbrengen – gaan naar Zweden, waar ze over het algemeen hogere eisen stellen aan dierenwelzijn.

Niet opeens zielig

Het is niet zo dat Hogenkamp couperen opeens erg zielig vindt. Hij noemt het „een kleine ingreep”, al weet hij natuurlijk ook dat niet-boeren het „heel confronterend” vinden. Maar de Zweden hebben het goed begrepen, vindt hij. Ze snappen dat een staart „een graadmeter” is voor een varkensleven.

In Nederland heb je tientallen welzijnsregels, zegt Hogenkamp, voor de Zweed telt (naast een verbod op antibiotica) eigenlijk alleen die lange staart. „Als die niet beschadigd is, dan heeft het dier het goed gehad.”

Jan Schuttert, de varkenshandelaar, vat het zo samen: „Een varkenshouder die staarten intact weet te houden, die heeft het in de vingers.”

En Frederieke Schouten van Varkens in Nood noemt de lange staart „een keurmerk op zichzelf”. Het opmerkelijke, zegt Schouten, is dat Hogenkamp op een ‘gewone’ manier varkens houdt. Hij is niet biologisch en doet ook niet mee aan het Beter Leven-keurmerk van de Dierenbescherming, zoals Varkens in Nood het graag ziet. „Hij heeft best een basaal soort varkensstal. Het is niet dat je denkt: wow, wat een paradijs.” Zo kunnen de varkens niet naar buiten en zitten ze in vrij sobere betonnen hokken. En toch lukte het om helemaal te stoppen. „Het kán dus”, constateert Schouten, „als er maar een vakman is die er alle tijd en energie in wil steken en die varkens net wat meer wil bieden.”

Lang niet alle varkensboeren zijn overtuigd. In een reactie op de website van vakblad Boerderij, afgelopen mei, vraagt iemand zich af wat nou eigenlijk het probleem is met couperen. „De big voelt het amper en naar mijn idee heeft een varken weinig baat bij een langere staart. Daartegenover staat dat het gruwelijk pijnlijk is voor een varken als zijn staart aangevreten wordt.” Een ander schrijft: „Als wij de publieke opinie moeten volgen dan wordt dat een gebed zonder eind.”

Onderzoeker Geert van der Peet kent de zorgen. „Varkenshouders hebben hart voor hun dieren, maar de druk van commercie is zo groot dat ze varkens op deze manier moeten houden.”

Dat het collega-varkensboeren lukt zonder couperen wordt niet altijd met gejuich ontvangen. „Dan zeggen ze: als anderen laten zien dat het kan, dan moeten wij dat ook.” Ze zijn bang dat ze tot dure investeringen verplicht worden, die ze niet kunnen terugverdienen. En dat er tóch gebeten wordt, waardoor varkens bij het slachthuis worden afgekeurd.

Uiteindelijk is het voor een groot deel een geldkwestie. Hogenkamp kreeg in het begin 20 euro extra per varken. „Dat zijn twee dubbeltjes per kilo.” Daarmee kan hij bijvoorbeeld duurder voer en een extra werknemer betalen, en dan houdt hij nog wat over. Al wordt een varken soms toch gebeten en dan mag-ie niet voor een meerprijs naar Zweden. Volgens Hogenkamp gebeurt dit bij een half procent van zijn dieren.

Maar inmiddels daalt de prijs. Het is jammer, zegt handelaar Jan Schuttert, dat Zweden weinig ham eten en dat er buiten Zweden weer weinig bereidheid is meer te betalen voor varkens die een beter leven hebben gehad. Dat is ook problematisch, als je bedenkt dat op termijn alle Europese varkensboeren moeten stoppen met couperen.

Hoe snel lukt dat eigenlijk in Nederland? Van der Peet is niet onverdeeld optimistisch. „Sommige boeren zullen met een jaar kunnen stoppen, bij anderen gaat het zeker twintig jaar duren”, schat hij in. Van de dertig varkenshouders die samen met Hogenkamp stopten, zijn er nog maar tien over. De rest lukte het niet.

Het makkelijkst wordt het voor varkenshouders die nu een nieuwe stal bouwen: extra dierenwelzijn kan eenvoudiger ingepast worden. Dat is uiteraard een flinke investering. „De hogere kosten moeten doorberekend worden. Maar gaan de supermarkten mee?”

De helft kleiner

De boerderij van Hogenkamp is een doolhof van betonnen gangen met een wirwar aan deuren waarachter duizenden varkens zitten. De stallen die zijn vader ooit heeft neergezet zijn nu in gebruik als bezoekersruimtes. Bijna lachwekkend klein zijn ze, in vergelijking met nieuwe ruimtes.

Goedkoper en groter was lang de enige manier om het vol te houden als varkenshouder. Hogenkamp deed daar vroeger met overtuiging aan mee, maar nu zegt hij dat hij best de helft kleiner zou willen. Als het financieel uit kan natuurlijk.

„We zijn gebrainwashed”, zegt Geert van der Peet. „In de varkenssector denken we dat alles zo goedkoop mogelijk moet.” Iedereen stimuleerde varkensboeren daartoe: banken, voerbedrijven, bedrijven die stallen leveren of apparatuur om lucht te zuiveren. „Daarom zijn er fouten ingeslopen, zoals couperen.”

Toch ziet hij verandering. Voorzichtig zijn er nu ook boeren die niet meer willen groeien, maar onderscheid zoeken. Het zijn de boeren die als eerste antibioticagebruik aanpakten die nu bezig zijn met krulstaarten. „Zij zoeken andere manieren om een boterham te verdienen”, zegt hij. „En om plezier in het vak te houden.”

    • Geertje Tuenter