Recensie

Die minkukel van een tv-bioloog is tóch innemend

‘En de berggorilla dan?’ Tja, de berggorilla. Televisiebioloog en dierenactivist Thomas de Poes, een van de hoofdpersonen van Daniël Samkaldens debuut Nova, wil afreizen naar Afrika. Maar helaas: een eerdere actie ging mis. Van de vijfhonderd ratten, konijnen en chinchilla’s die hij voor een draaiende camera losliet uit een laboratorium, was binnen een etmaal de helft dood. Men struikelde over de lijkjes. Niet goed voor de beeldvorming, niet goed voor ‘het Dierencollectief’, de partij waarvoor De Poes optreedt. De berggorilla kunnen ze er nu echt niet meer bij hebben. De Poes besluit toch te gaan, met alle gevolgen van dien.

Samkalden, bekend uit het theater, maakte met Nova een roman waar de ambitie van afspat. Hij heeft verschillende registers willen bespelen: naast de onsnuggere televisiebioloog zijn er nog twee hoofdpersonen, een morsige schrijver die niet in de tijd past en zijn zoon kwijt is, en een wereldvreemde sterrenkundige die iets onsplitsbaars wenst te splijten. Hun levens schampen elkaar, met hier en daar verstrekkende gevolgen, al zijn ze, ieder op hun eigen levenspad, vooral geboeid door zichzelf. Deels is dit onvermogen, deels onwil, en intussen regeert de natuur. Op het beste moment – als Thomas de Poes in het Afrikaanse woud ronddoolt – heeft Nova iets weg van Nooit meer slapen van W.F. Hermans.

De Poes is veruit de boeiendste van de drie. Met zijn innemende naam is hij een nogal onuitstaanbare minkukel, die zich laat leiden door zijn driften en weinig compassie kent. Toch gaat hij je al gauw aan het hart. De Poes is een doener, je ziet haast voor je hoe hij driest met zijn armen maaiend toegeeft aan ongeveer al zijn impulsen. Of het nou zelfmoord plegen, het regenwoud ingaan of zich op een vrouw storten is, niets verloopt naar wens.

De andere hoofdpersonen zijn geen doeners, maar denkers. Schrijver Maarten mokt. Zijn uitgeverij is overgenomen door de zoon van de Echte Uitgever. Niets blijft bij het oude, en van hem wordt gevraagd een flitsende biografie te schrijven. Van Thomas de Poes. In twee maanden moet het af, waarna hij verder kan met zijn eigen boek. Hoe heet het ook weer? ‘Geschiedenis vanvan een leven?’ zegt de uitgever. ‘Van een geweten’, verbetert de schrijver. Onverwacht geeft het schrijven van het hem wezensvreemde, de biografie, hem vleugels.

Het wedervaren van sterrenkundige Julie, op zoek naar bewijs voor haar theorie, staat, anders dan dat van beide heren, beschreven in de ik-persoon. Dat schept hier afstand. Ze klampt zich vast aan de structuur van haar dagen (wellicht heeft ze een aandoening in het autismespectrum). Samkalden geeft haar denkraam weer in afgemeten zinnen: ‘En ik keek naar de klok. Steeds. [...] Die sprietige wijzer. Seconde voor seconde. Vermalend. Vernietigend.’ Veel van haar handelingen staan zo uitgeschreven. Dit blijft niet boeien en vormt een vreemd contrast met de barokke, hier en daar potsierlijke zinnen die Samkalden ook schrijft: ‘Toen de uitwaseming van zijn champagne vervloot, rook hij haar geur. Geen parfum, maar een geheugenis van haar huid, lichtzoet vermengd met het zilt van haar zweet. Via zijn holtes vulde het zijn hersenen met een weemoedig verlangen.’

Soms hangen er wat te veel slingers, en soms wat te weinig, in Nova. Maar er staat genoeg tegenover. Samkalden voert je in dit ene, zorgvuldig gecomponeerde boek zowat de hele wereld rond. Het is innemend, het is lef hebben, het smaakt naar meer.

    • Judith Eiselin