‘We willen gelijkheid, maar blinde vlek voor ongelijkheid blijft’

Interview Marcus Azzini

‘Allemaal Mensen’ van toneelgroep Oostpool gaat over diversiteit. „Als migrant bevecht ik nog altijd mijn plaats in de samenleving”, zegt de van oorsprong Braziliaanse regisseur Marcus Azzini.

Toneelgroep Oostpool spelers in de nieuwe voorstelling ‘Allemaal mensen' Foto Sanne Peper

„Een migrant heeft altijd veel te verliezen”, zegt regisseur Marcus Azzini (1971) van de nieuwe voorstelling Allemaal Mensen door Toneelgroep Oostpool uit Arnhem. „Zijn of haar identiteit, taal en vertrouwde omgeving raakt die kwijt.”

Azzini is geboren in Brazilië en kwam in het begin van de jaren negentig in Nederland aan, waar hij in Amsterdam de Toneelschool volgde. „Ik was in de twintig. Het paarse kabinet hield ons voor dat we allemaal aan elkaar gelijk zijn. Mijn eerste jaren stonden in het teken van bevechten van mijn nieuwe Nederlandse identiteit. En vooral: ik wilde geaccepteerd worden, erkend, ik wilde niet opvallen in negatieve zin. De eerste les die ik leerde was: zorg dat je werk hebt, anders tel je niet mee in de maatschappij.”

Nu, een kwart eeuw later, is Azzini minder enthousiast over de beloofde gelijkheid van destijds. Hij zegt: „Ik ben vader van een in Nederland geboren elfjarige zoon, ik ben partner maar maak ook nog deel uit van mijn Braziliaanse familie. Ik ben regisseur, ik ben homoseksueel. En nu ook ergens Nederlander. We hebben te lang gesproken over gelijkheid en culturele diversiteit, maar we hebben ook een blinde vlek voor de ongelijkheid in ons land. Sommige vooroordelen spreken we niet uit, maar we denken die nog wel. Achter het mooie woord ‘gelijkheid’ gaat nog veel ongelijkheid schuil.”

Publiek roept: homo of lekker stuk

Samen met veertien acteurs, allen geboren in de jaren negentig, onderzoekt Azzini in Allemaal Mensen hoe het gesteld is met de bereidheid elkaar te accepteren, hoe verschillend we ook lijken. Het gaat ook over het opplakken van labels. Tijdens een try-out in theater de Junushof in Wageningen betrekken de acteurs de toeschouwers erbij. Ze mogen meteen hun eerste indruk geven als een van de spelers naar voren stapt. Bij een licht heupwiegende, blonde acteur roept de zaal „homo” of „intellectueel”. Een andere speler heet „lekker stuk”. Wanneer een zwarte speler naar voren komt, klinkt het na enige aarzeling: „Danser”.

Vooral die laatste reactie is voor Azzini maatgevend: „Natuurlijk denkt het publiek ‘een zwarte man’, maar dat durft men niet te zeggen. Dus is de eerste associatie die van muziek en dans, wat een stereotypering is.” De voorstelling is ontstaan uit de verhalen die de acteurs in een briefwisseling elkaar vertellen. Hierin beschrijven ze hoe ze in het dagelijks leven te maken krijgen met etiketten en vooroordelen. „Het is verrassend”, aldus Azzini „hoe snel mensen een ander in een hokje plaatsen, van een label voorzien. Niemand is alleen maar wat zijn of haar uiterlijk uitstraalt, integendeel. Ik ben als migrant geïntegreerd, maar toch kom ik elke dag met vooroordelen in aanraking. Eén mens is niet zomaar één ding; we bestaan uit zoveel en we zijn zoveel meer.”

Huidskleur teruggeven

Onthullend is de scène waarin de speler Kendrick Etmon zegt, waarbij hij zich rechtstreeks tot de zaal richt: „Ik zou mijn huidskleur willen teruggeven.” Azzini: „Hoewel de maatschappij van nu diversiteit vooropstelt, vind ik het belangrijker dat we pleiten voor een ‘inclusieve’ maatschappij, waarin we volledig gelijkwaardig zijn. Op grond van leeftijd, afkomst, sekse, geaardheid, kleur zijn we toch altijd geneigd sommige mensen wel, anderen niet in ons leven in te sluiten. Dat laatste moeten we wel gaan doen. In Allemaal Mensen geven we geen antwoorden op hoe het nu verder moet met de huidige maatschappij. We zeggen wel dat we allemaal gelijk zijn, maar de strijd voor gelijkheid is daarmee nog niet gewonnen. Mensen oordelen nog altijd supersnel over iemands uiterlijk. We moeten niet alleen daarnaar kijken, we moeten vooral naar de ander luisteren.”

    • Kester Freriks