Opinie

    • Floor Rusman

Therapie is meer dan een boswandeling

De eerste keer dat ik naar een psycholoog ging, voelde ik zo veel schaamte dat ik aan de andere emoties nauwelijks toekwam. Ik was hoogopgeleid, gezond, welvarend, verwend zelfs, mijn ouders leefden nog, niemand had kanker, ik had geen oorlog meegemaakt, geen trauma’s opgedaan. Ik had het recht niet bij een psycholoog te zitten, vond ik: elk medeleven was onverdiend, elke introspectie narcistisch.

Dat calvinistische stemmetje zit nog steeds in mijn hoofd en daarom las ik het interview afgelopen zaterdag met Damiaan Denys, voorzitter van de Nederlandse Vereniging voor Psychiatrie, in eerste instantie instemmend. Volgens Denys gaan mensen veel te snel naar de psychiater. Ze willen niet aanvaarden dat lijden bij het leven hoort en menen recht te hebben op geluk. Goed gezegd Denys, dacht die calvinist in mij. Mensen moeten zich niet zo aanstellen. Ik dacht het ook over mijzelf, want ik zit inmiddels bij mijn vierde psycholoog.

In tweede instantie kwamen de vragen. Heeft Denys het over de psychiatrie of over de hele ggz? En zegt hij nou eigenlijk dat psychotherapie per definitie onzin is wanneer de patiënt niet ‘waanzinnig’ is, zoals hij het noemt?

Denys doet alsof iedereen die een teleurstellende vakantie heeft gehad de volgende dag bij de psychiater zit. Dat is natuurlijk niet waar. Zo’n 40 procent van de mensen die hulp zoeken komt niet verder dan de praktijkondersteuner van de huisarts, nog een deel komt in een kortdurend traject in de basis-ggz. Een derde belandt in de gespecialiseerde ggz, een deel dáárvan bij de psychiater. Door de hervorming van de ggz in 2014 komen mensen met ‘lichte’ klachten, volgens Denys slechts zingevingzoekers, nog minder snel in die specialistische zorg terecht.

Maar belangrijker nog, Denys miskent het feit dat de drempel om hulp te zoeken voor veel mensen nog steeds hoog is. En dat terwijl een paar sessies al enorm kunnen helpen, juist bij die mensen met lichte problemen die van Denys gewoon een boswandeling moeten maken.

Therapie is er niet om mensen gelukkig te maken, maar om ze meer inzicht te geven in hun emoties en gedragingen, en ze vervolgens ‘handvatten’ te geven om hun weg zelf te vervolgen. Mensen moeten weerbaar worden, zegt Denys. Dat is juist precies wat therapie probeert te doen, zeker al die gedragstherapieën waarnaar mensen nu vaak worden doorverwezen.

Wat een gezeur, kun je nu denken, vroeger hadden we al deze ‘handvatten’ niet nodig. Maar ja, dat geldt voor wel meer dingen. We hadden ook geen kookboeken van Ottolenghi nodig, want we aten gewoon elke dag doorgekookte bonen met reuzel. Maar zoals we meer van ons voedsel verwachten, stellen we ook hogere eisen aan onze geestelijke gezondheid. Omdat het kan. En, ook niet onbelangrijk, omdat we het kunnen betalen.

De ggz-gebruikers buiten een instelling kosten jaarlijks zo’n twee miljard euro. Prima besteed geld, lijkt mij. Een geslaagde therapie beïnvloedt ook alle mensen met wie de patiënt in het dagelijks leven te maken heeft. De vriend of vriendin die niet meer huilend wordt opgebeld, de werkgever die met minder verzuim te maken krijgt, de medeweggebruiker naar wie niet agressief wordt getoeterd. De samenleving als geheel gaat erop vooruit wanneer mensen wie het leven zwaar valt van de therapeut een routekaartje krijgen voor dat bos waarin ze moeten wandelen.

Toch kreeg Denys veel enthousiaste reacties op het interview. Mensen moeten normaal doen, leek – zoals zo vaak – de teneur. Jammer, dacht ik. Zo blijft het iets schaamtevols om in therapie te gaan. En aan therapie heb je alleen iets, zo leerde ik, wanneer je die schaamte afwerpt.

Floor Rusman is redacteur van NRC.
    • Floor Rusman