Foto Marco Borggreve

‘Rotterdams Philharmonisch heeft heerlijke open gretigheid’

Lahav Shani De Israëlische Lahav Shani (29) is de nieuwe chef-dirigent van het Rotterdams Philharmonisch Orkest. Het was liefde op het eerste gezicht, van twee kanten.

Hij brengt vele uren door in de lucht. Vandaag: een vlucht van Berlijn naar Rotterdam voor een cd-opname. Vanavond: naar Israël om musici voor het Israel Philharmonic Orchestra te horen voorspelen. Vervolgens weer terug naar huis: in Berlijn.

Lahav Shani is 29 en dirigent aan de internationale top van het muziekleven. Dat hij dat voor zijn 30ste bereikte is opmerkelijk – en niet. „Ik kan me geen moment herinneren, ook niet in mijn jeugd, dat ik niet met muziek bezig was”, zegt Shani zelf. En in beschrijvingen van zijn karakter duiken vaak typeringen op als „leeftijdloos”, of „een ouderwetse jongen”.

Wanneer begon u met dirigeren?

„Ik speel piano vanaf mijn zesde, maar op de middelbare school wilde ik daarnaast graag in het schoolorkest. Dus nam ik contrabasles bij de aanvoerder uit het Israel Philharmonic Orchestra. Dat ging zo goed dat ik vanaf mijn negentiende ook bij dat orkest mocht invallen. Zo leerde ik het symfonische repertoire kennen en ontdekte ik hoe leuk het is te functioneren in een collectief van 100 musici. Hoe meer ik het deed, hoe aantrekkelijker ik het ging vinden. Behalve de dirigenten. Die ergerden me regelmatig. Of ergeren - het was meer frustratie over hun aanpak en de mogelijkheden die ze lieten liggen. En wie het beter weet…”

Piano. Contrabas. Dirigeren. Componeren ook nog, las ik in uw bio. Is muziek uw enige interesse?

„O nee, ik houd heel erg van leven, van buiten zijn, met mijn vrienden praten. Ik heb ook heel veel gespijbeld als middelbare scholier, haha. Dat ik als pianist in die jaren wat heb bereikt, dank ik puur aan mijn lerares, Hannah Shalgi. Zij herkende mijn talent, maar doorzag ook mijn karakter. Om beide de ruimte geven, gaf ze me twee à drie uur per dag les, zodat ik niet zelf hoefde te studeren. Een gelukstreffer.

„Een enkele keer werd op school ook wel mijn nieuwsgierigheid geprikkeld. Maar dat lag dan altijd meer aan de passie van de leraar dan aan het vak op zich. Wat ook weer leerzaam was, want zo cruciaal is communicatie dus. Hoe maak je mensen nieuwsgierig naar nieuwe wegen? Dat is, merk ik dagelijks als dirigent, een ontzettend belangrijke vaardigheid.”

Op Spotify zag ik wat u recent beluisterde: Brahms, Beatles, Beyoncé. En veel alternatieve Israëlische luisterliedjes.

„Is mijn luistergedrag openbaar? Wat eng! Maar inderdaad: mijn smaak is breed. Musici die exclusief in klassiek geïnteresseerd zijn, missen veel. Ik heb als pianist ook veel jazz gespeeld.”

U speelt nog steeds piano. Die combinatie, pianospelen en dirigeren, zie je vaker. Maar zelden op dit niveau: in oktober speelt u solorecitals in Berlijn en Rotterdam, in november concerten met het Royal Stockholm Philharmonic…

„Toen het dirigeren me ernst werd, dacht ik eerst dat de piano op het tweede plan moest komen. Maar de mix van dirigeren en pianospelen bleek juist heel goed te werken. Ik maak graag kamermuziek, en mijn voornemen is dat ook bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest veel te gaan doen. Door op die manier als pianist ook in kleiner verband intens met de orkestmusici samen te werken, leer ik ze ook als dirigent veel beter kennen. En dat is een enorme winst.”

Toch lijken het me ook heel verschillende rollen. Is het niet lastig als solopianist andermans opvattingen over te moeten nemen in een werk dat je wellicht zelf net dirigeerde?

„Nee, totaal niet. Een goede dirigent is flexibel, een goede solist ook. Als je aan je eigen vooropgezette ideeën wilt vasthouden, krijg je hooguit een uitvoering die ‘klopt’. Nooit een die raakt door een spontane, emotionele expressiekracht.”

Dirigeren is een raadselachtig vak: ambachtelijke vaardigheden en partituurkennis komen samen met ervaring, intuïtie, psychologie en emotie. Hoe loopt de kortste weg naar een wereldcarrière?

„Als ik hem kende, zou ik hem volgen! Maar serieus: die weg is voor iedereen anders. En daarbij; is de kortste weg de mooiste? Voor mijzelf geloof ik heel erg in intensieve samenwerking met musici die ik ken, om met hen in alle rust en vertrouwdheid mijn repertoire te kunnen uitbouwen. Er zijn nog heel veel grote meesterwerken die ik nog nooit heb gedirigeerd en die ik dolgraag wil leren kennen en snappen.”

Snappen? Is dat genoeg? Gaat het niet ook om interpretatie?

„Partituurbegrip is het startpunt. Hoe heeft de componist zijn verhaal gestructureerd, hoe spanning opgebouwd, welke klank stond hem/haar voor oren? Maar natuurlijk neem je als uitvoerende altijd jezelf mee.

„Van pianist en dirigent Daniel Barenboim, die in Berlijn mijn coach was, leerde ik dat een goed concert altijd eerst berust op grondige analyse, maar dat je die kennis vervolgens moet loslaten om open te kunnen staan voor de spontaniteit van het moment.”

Hoe brengt u uw ideeën over aan het orkest?

„Liefst zo feitelijk mogelijk. Ik zal nooit tegen musici zeggen dat ze een passage ‘als in de wolken’ moeten spelen, want dan ben je de ene taal in de andere aan het vertalen. Ik zou eerder zeggen: ‘speel zachter’, of ‘speel troebeler’. Pas als dat niet werkt, voeg ik een metafoor toe. Maar spelen ‘als in de wolken’, wat betekent dat eigenlijk? Wolliger? IJler? Ik bedoel maar.”

U stond zelf al piepjong voor toporkesten. Hoe ging dat?

„Het kostte tijd voor ik me gemakkelijk voelde in die rol. Maar ik weet niet of dat samenhangt met leeftijd. Niemand staat zomaar zonder zenuwen voor honderd hoogopgeleide collega’s om die eens even te vertellen hoe het anders moet. En hoe anders dan precies? Hoe verwoord je dat? Nee, het duurt jaren voor je ontspannen voor een orkest staat en daar echt jezelf durft te zijn.”

Hoe was dat in Rotterdam?

„Anders. Normaal is een debuut voor een orkest altijd wat ongemakkelijk, hier bleef dat gevoel uit. Ik voelde me welkom. Dat heeft met het karakter van het orkest te maken, denk ik. Het is flexibel en in staat tot overgave aan het moment. Die open gretigheid viel me heel erg op bij onze eerste kennismaking. Ik wist al na een half uur: als ze me hier vragen als chef, dan zeg ik meteen ja.”

Het is opmerkelijk dat ze in Rotterdam zo’n neus hebben voor groeidiamanten: Nézet-Séguin en Gergiev maakten wereldcarrières, de uwe nam sinds uw benoeming ook alweer een hoge vlucht.

„Dat sluit aan bij wat ik net zei. De musici hier vertrouwen hun gut feeling.”

En dan vind je de Ware? Net het echte leven.

„Waar heb je het over? Dit ís het echte leven!”

U begint donderdag - de jongste Rotterdamse chef ooit. Maar net deze maand, uw eerste, stonden ook uw voorgangers Valery Gergiev en Yannick Nézet-Séguin voor het orkest. Functioneren in de schaduw van reuzen: wat vindt u daarvan?

„Elk orkest mag profiteren van meer excellente dirigenten. Het is juist bijzonder dat dit orkest zulke vruchtbare relaties onderhoudt met zijn oude chefs. Toen mijn benoeming werd aangekondigd, zat Yannick Nézet-Séguin naast me. Dat betekende heel veel voor me. Het gaf me het gevoel dat ik nu ook in die familie was opgenomen.”

Uw eerste seizoen is eigenzinnig: instrumentale muziek van Bach gekoppeld aan het ‘Magnificat’, Schuberts ‘Unvollendete’ symfonie met diens ‘Forellenkwintet’…

„Vroeger, in de tijd dat veel klassieke muziek ontstond, waren concerten veel langer, avontuurlijker en afwisselender dan nu. Ik denk dat het voor het publiek heel verfrissend kan zijn verschillen in bezetting te ervaren. En wanneer je als orkest een solist hebt ingehuurd voor een concert in de avond, waarom zou je die dan niet ook vragen ’s middags mee te spelen in bijpassende kamermuziek?”

Uw chefschap omvat 12 weken per seizoen. Is dat genoeg?

„Het is precies goed. Genoeg om er maandelijks te zijn en met het orkest op tournee te gaan, maar ook weer niet zoveel dat je elkaar snel beu raakt. Bij het Israel Philharmonic Orchestra heb ik als chef ook net getekend voor twaalf weken. Mijn optredens als gastdirigent elders zijn daardoor noodzakelijk wel schaarser geworden. Alleen tegen toporkesten zeg ik nog ja.”

Het Rotterdams Philharmonisch Orkest is een orkest met twee gezichten: internationaal toporkest enerzijds, stadsorkest anderzijds. Is dat een paradox?

„Je hoort toch wat het is? Een geweldig goed orkest, waarvan de kwaliteit voortdurend wordt gesteund en vooruitgeholpen door de eredivisiedirigenten en -solisten die er te gast zijn. Maar inderdaad, het is óók Rotterdams. Het orkest heeft hetzelfde DNA als de stad: energiek en tot aanpakken bereid, maar niet gestresst. En de verankering in eigen stad is ook heel belangrijk. We kunnen het ons niet permitteren de zoektocht naar nieuw publiek te boeken als een nevenactiviteit, die moet een eerste prioriteit zijn.”

Wat is het hoogste wat je als dirigent kunt bereiken?

„Het ‘hoogste’ vind ik een terneerdrukkend concept. Wat komt daarna? Het gaat om het vinden van de weg naar een top die je voor jezelf uitzoekt. En wanneer je daar aankomt, blijkt er een nieuwe top achter te liggen, en de weg daar naartoe is altijd twee keer langer dan je dacht. Ziedaar de essentie van het artiestenbestaan!”

    • Mischa Spel