Advocaat Gerald Roethof, in zijn kantoor in Amsterdam.

Foto Merlijn Doomernik

‘Ik kan beter voelen hoe het is om onheus bejegend te worden’

Gerald Roethof Strafrechtadvocaat Gerald Roethof (Zwolle, 1973) verdedigt Jos B. Maatschappelijke kwesties raken hem. ‘Je moet als advocaat tegen heilige huisjes kunnen aantrappen.’

Gerald Roethof kan heel snel knipogen. Dat is wat opvalt als hij in de deuropening verschijnt om te vertellen dat het iets later wordt. Hij is nog even in gesprek met een cliënt – vijftien, twintig minuutjes. Hij glimlacht, zijn rechteroog sluit, een fractie van een seconde. Dan draait hij zich om en verdwijnt weer uit zicht.

Een half uur later, in een werkkamer met rood fluwelen gordijnen en archiefkasten vol dossiers. Roethof (grijs geruit pak, wit overhemd) leunt achterover in zijn stoel. Zijn telefoon heeft hij op een hoek van het houten bureau gelegd, met een schuin oog kijkt hij af en toe naar de inkomende oproepen. „Ik had twee zittingen vandaag, dus ik ben niet erg goed bereikbaar geweest.”

Strafrechtadvocaat Gerald Roethof (45) schat dat hij iedere dag zo’n vijf keer gebeld wordt met de vraag: kunt u mij bijstaan? Jaarlijks, zegt hij, neemt zijn kantoor ongeveer 750 zaken aan. De afgelopen jaren zaten daar spraakmakende tussen. Hij verdedigde de man die dodelijke witte heroïne op straat verkocht in Amsterdam en de vrouw die in de Bijenkorf haar baby naar beneden gooide. Hij stond de ex-vrouw bij van Mitch Henriquez, die door politiegeweld om het leven kwam. Vorige week trad Roethof voor het eerst op als advocaat van Jos B., die verdacht wordt van betrokkenheid bij de dood van Nicky Verstappen in 1998.

Bolletjesslikker

„Een beetje bolletjesslikker in Zuidoost”, schreef Het Parool-verslaggever Marcel Wiegman in 2015, „heeft het visitekaartje van Gerald Roethof in zijn binnenzak.” Behalve om zijn voorliefde voor drugszaken, staat Roethof bekend om zijn uitgesprokenheid. Toen de VVD onlangs met een plan kwam om criminaliteit in probleemwijken twee keer zo zwaar te bestraffen, noemde Roethof dat „bizar” en suggereerde hij dat een dubbele straf voor politici die de fout ingaan – mensen met een voorbeeldfunctie – eerder op z’n plek zou zijn. Als hij in een talkshow komt praten over een zaak waarin een cliënt verdacht wordt van homohaat, doet hij dat in roze overhemd.

Strafzaken liggen, zeker als er slachtoffers zijn, soms gevoelig in de samenleving. Toen bekend werd dat Roethof Jos B. zou verdedigen, kreeg hij „tientallen haatmails” en enkele „lelijke telefoontjes”. Aan tafel bij Pauw verweet misdaadverslaggever Peter R. de Vries, die de familie Verstappen bijstaat, Roethof dat hij met feiten goochelt. Het feit dat B. zich beroept op zijn zwijgrecht, vond De Vries „laf” en getuigen van „minachting naar de ouders”.

U kunt inhoudelijk weinig zeggen over deze zaak. Waarom schuift u dan aan in een talkshow?

„Als advocaat moet je primair je verhaal doen in de rechtszaal. Maar je behartigt de belangen van je cliënt. Als er een krom beeld wordt geschetst van een zaak omdat de berichtgeving eenzijdig is, dan moet je daar iets tegenover zetten. In deze zaak is cliënt maandenlang neergezet als dader. Toen hij werd aangehouden was er een triomfantelijke tweet: ‘WE GOT HIM!’ [van Peter R. de Vries, red.]. Wat ik duidelijk wilde maken: hij is een verdachte, nog niet een veroordeelde. We moeten afwachten wat de rechter oordeelt.” 

Er gaan geruchten dat er advocaten naar Spanje zijn gegaan om Jos B. hun diensten aan te bieden. Heeft u dat gedaan?

„Nee hoor, op het moment dat Jos B. in de gevangenis zat, zat ik heerlijk in de Curaçaose zon. Als het zo is dat dat gezegd wordt over mij, dan zeg ik: flauwekul.”

Waarom heeft u voor het vak van strafrechtadvocaat gekozen?

„Het is een combinatie van dingen. Als eerste houd ik ervan, en dat had ik als kind al, om te zeggen wat ik vind. Als advocaat mag je dat, en soms moet je zelfs. Ik kom graag voor anderen op. Daarnaast vind ik dat je tegen heilige huisjes moet kunnen aantrappen. Soms moet je als burger in het geweer komen tegen bepaalde instituten of vastgeroeste ideeën. Als advocaat heb je daar veel vrijheid in.”

Kunt u…

„Een voorbeeld geven? Neem de zaak Mitch Henriquez. Men is sindsdien voorzichtiger geworden met het toepassen van de nekklem. Ik heb ook een zaak gehad waarbij er een file werd gecreëerd om een benzinedief te pakken, met fatale gevolgen. Voor zover ik heb kunnen zien, is dat na die zaak niet meer door de politie gedaan.”

U verdedigt verdachten, geen slachtoffers. In de zaak Mitch Henriquez maakte u een uitzondering. Waarom?

„Er was sprake van politiegeweld. Een instituut dat zijn macht en rechten op een verkeerde manier toepaste, daar moet je als advocaat tegen in het geweer willen komen. Soms gebeurt er iets waarvan je denkt: dit kan niet. Dat moet je dan zeggen, loud and clear.”

Als man met een donkere huidskleur en een dure auto is Roethof meermaals onrechtvaardig behandeld. Het verst ging die keer in 2008, toen hij pepperspray in zijn gezicht kreeg omdat agenten in zijn auto wilden kijken en hij daar niet mee akkoord ging. Het gebeurt nog steeds, zegt Roethof. „Ik kan het je laten zien.” Hij pakt zijn telefoon om een filmpje te tonen. Op de achtergrond staat zijn auto, een zilvergrijze BMW uit de 6-serie, op de voorgrond trekt een agent van de marechaussee zwarte handschoenen aan.

Roethof, al filmend: „Ik wil hier geen scène schoppen, maar wat ik tegen u zeg meneer: ik ben het er niet mee eens. Ik geef geen toestemming. Ik ga ’m niet voor u openmaken. Dit is de autosleutel, doet u maar wat u vindt dat u moet doen.”

Agent: „U wilt weten waarom ik het ga doen?”

„Dat heeft u al gezegd, en ik zeg u dat het niet klopt.”

Roethof zucht. „Dit was vorige maand, gewoon bij de rechtbank Schiphol. Een plek waar ik iedere dag werk. Genoeg collega-advocaten die daar rondrijden. Maar hun is dit nog nooit overkomen.”

Wat gebeurde hier in uw ogen?

„Zeg maar wat het is… Er wordt niet gezegd: meneer, u bent bruin. Maar je trekt conclusies. Hij begon erover dat mijn auto niet verzekerd zou zijn, onzin. In mijn ogen is dit gewoon een domme agent die zijn macht wil doen gelden. Ik laat me niet kleineren, maar in potentie zou dit kleinerend kunnen zijn.”

Wat doet zo’n confrontatie met u?

„Iemand gaat je eigendom binnen, zonder reden. In het openbaar. Iedereen kan toekijken. Jij staat daar, en er zijn agenten met je auto bezig. Dat is pijnlijk. Het zou je boos kunnen maken. Het zou je verdrietig kunnen maken. Het zou je het gevoel kunnen geven dat je toch niet zo gelijk bent aan anderen. Het zou je het gevoel kunnen geven dat je het nooit goed doet: ik ben toch al veroordeeld, toch al slecht. Het creëert een wij-zij-gevoel. Een tweespalt in de maatschappij. Oftewel: niets positiefs.”

Gerald Roethof werd geboren in Zwolle en woonde van zijn zevende tot zijn achttiende in Paramaribo. Zijn vader Max Roethof („Je zou hem nu een economische vluchteling kunnen noemen”) was in de jaren zestig vanuit Suriname naar Nederland gekomen om te studeren en ontmoette hier zijn vrouw. Vijf jaar na de onafhankelijkheid van Suriname verhuisde het gezin terug. „Mijn vader wilde het land helpen opbouwen.” Het was een roerige tijd, met rellen op straat en lege schappen in de supermarkten. Terug in Nederland ging Roethof rechten studeren in Nijmegen, ook zijn jongere zus Machteld werd jurist. Beiden gingen werken op het kantoor van hun vader. „Na vier jaar vond ik dat ik alles beter wist, toen ben ik mijn eigen kantoor in Amsterdam begonnen.”

Advocaat Gerald Roethof, in zijn kantoor in Amsterdam. Foto Merlijn Doomernik

In een interview met Robert Vuijsje in de Volkskrant zegt u: „Ik heb een breder wereldbeeld dan de gemiddelde Nederlandse strafrechtadvocaat.” Wat bedoelt u daarmee?

„Ik denk dat ik beter kan voelen hoe het is om onheus bejegend te worden. Daarnaast: ik heb armoede gezien en meegemaakt. In Suriname – dat absoluut geen failed state is, maar wel een derdewereldland – heb ik gewoond toen het beroerd ging. Als opgeschoten tiener en jonge twintiger woonde ik begin jaren tachtig in de Bijlmer, dat was toen een getto. Als je meer hebt gezien en hebt meegemaakt dan je collega’s, dan heb je een breder wereldbeeld. Zo eenvoudig is dat.”

Wat is het voordeel daarvan?

„Ik kan me gemakkelijker in mensen verplaatsen, begrijpen hoe iemand zich voelt. Soms kan ik overbrengen wat diegene bedoelt. Een voorbeeld: contant geld. In sommige culturen is dat de normaalste zaak van de wereld. Maar het idee van justitie is al snel: dat is crimineel geld. Toen ik naar Nederland kwam, in 1991, had ik nog nooit van een pinpas gehoord!”

Heeft u een valkuil?

„Mijn valkuil is dat als iemand mij vraagt hem juridisch bij te staan, ik moeilijk ‘nee’ kan verkopen. Ik moet er altijd goed op letten dat ik niet te veel cliënten aanneem. Dat ik bij elke zaak de kwaliteit kan bieden die die zaak verdient.”

Waarom vindt u het moeilijk om nee te zeggen?

„Iemand vraagt persoonlijk naar jou. Nee zeggen is dan bijna niet netjes. Die persoon wil jou. Het zijn mensen die hulp nodig hebben, je bent advocaat geworden om hen te helpen. Maar ik heb leren doseren. Ik heb kundige collega’s aan wie ik het een en ander kan uitbesteden.”

Hoe ontspant u?

„Ik zit nu heel ontspannen met u te praten.”

Dit interview is ontspanning?

„Praten met u of met mijn cliënt, is een vorm van ontspanning, ja. Of in de auto zitten en met een lekker muziekje van hier naar Groningen rijden. Jazz, soul, reggae, Aretha Franklin of Bob Marley. Als ik maar niet te laat ben, dan is het iets minder ontspannend.”

Heeft u vrije tijd?

„Dat is wel een probleem. Dat is echt een probleem. Misschien niet eens zo zeer mijn probleem, maar wel het probleem van de mensen die om me geven. Voor hen is het lastig, helaas.”

U heeft rond uw dertigste een ongeluk gehad.

„Klopt.”

Wilt u daar iets over vertellen?

„Het was een bizar ongeluk. Als je goed kijkt, zie je hier een litteken [wijst op zijn hals]. Wil ik er iets over zeggen? Ehm… Ik kan zeggen dat ik heel dankbaar mag zijn dat ik er nog ben. De artsen hadden me opgegeven. Ik heb op de intensive care gelegen. Lang. Ik ben twee weken in coma geweest. Ik heb nu een stent, zo noemen ze dat, in mijn aorta. Een deel is van kunststof. Ik heb geen slokdarm meer en ik heb een aangepaste maag.”

Ondervindt u daar nu last van?

„Ik heb een longfunctie die veel minder is dan gemiddeld. Ik heb een beroerde conditie, ondanks het feit dat ik veel sport. Ik moet erg op mijn voeding letten. Verder ben ik veel minder sterk. Ik zeg niet dat ik een zwakkeling ben. Dat ben ik totaal niet, echt niet: ik kan meer dan een gemiddelde leeftijdgenoot. Maar zeg maar dat ik de Hulk was, en nu ben ik Superman.”

U wilt niet zeggen wat er is gebeurd.

„Sommige dingen houd je voor jezelf.” Vervolgt: „Maar wat betekent het? Dat ik beter kan relativeren. Na zoiets kan weinig je nog deren. Ik heb de kans gekregen op een tweede leven. Doe ik ermee wat ik zou moeten doen? Gebruik ik het goed genoeg, die kans, daar kun je over twisten.”

U leest al ruim twintig jaar politiedossiers, vol ellende en geweld. Wat doet dat met u?

„Het klinkt kil, maar ik kan mijn werk alleen op een goede manier doen als ik zaken achter me kan laten. Ik ben nog steeds mens hoor, een mens met gevoelens. Als ik een zaak doe, ben ik mij zeker bewust van de impact op slachtoffers en nabestaanden. Maar dit werk heeft mij scherper gemaakt in bepaalde situaties, scherper dan de gemiddelde burger.”

Hoe bedoelt u?

„Ik sta reëler in het leven. Als ik bijvoorbeeld bij een concert ben, zal ik altijd kijken of er niemand in mijn zakken loopt te graaien terwijl een ander alleen oog heeft voor Beyoncé op het podium. Ik weet wat de keerzijde van onze mooie consumptiemaatschappij is.”

Bent u gehard?

„Misschien is gehard niet het juiste woord. Ik denk dat ik minder snel schrik als ik iets verschrikkelijks zie. Ik ben minder snel van mijn stuk te brengen. Vergelijk het met een arts die op de intensive care werkt. Die wordt ook vaak met de dood geconfronteerd. Die raakt er op een gegeven moment aan gewend.”

Geldt dat ook voor die lelijke telefoontjes en mails? Doet dat niets met u?

„Eerlijk? Helemaal niets. Als ik even niet in advocatentermen spreek: je hebt altijd haters. Soms zijn dat volslagen onbekenden, soms collega’s, soms column-schrijvende journalisten. Zolang ik achter elke beslissing sta die ik neem in een zaak, maakt het me niet uit hoe anderen naar me kijken.”

Ja? U heeft ook gezegd: „Als donkere advocaat is het extra belangrijk om je netjes te kleden.”

„Klopt. Maar wat ik bedoel is: ik moet mezelf kunnen aankijken in de spiegel. Als ík vind dat wat ik doe goed is, dan maakt het me niet uit dat een ander daar een negatief oordeel aan verbindt.”

U lijkt mij iemand die zijn woorden zorgvuldig kiest.

„Dat moet ook.”

Wat weten maar weinig mensen over u?

„Hier moet ik even over nadenken. Dat mensen iets niet van je weten heeft ermee te maken dat je het kennelijk voor jezelf wenst te houden...” Even later: „Wat mensen zich niet altijd realiseren is hoe gigantisch druk dit werk kan zijn. Zal ik eens kijken, voor de grap?” Roethof scrollt op zijn telefoon. „Achtentachtig, negenentachtig... Tweeënnegentig mailtjes heb ik vandaag binnen gekregen. En vijfentachtig WhatsAppberichten. Zonder de mensen die mij hier op kantoor ondersteunen en zonder de steun van mijn geliefden en familie zou ik niet kunnen doen wat ik doe. Mensen zien alleen de advocaat, maar ik kan dit echt niet allemaal in mijn eentje.”

    • Anne-Martijn van der Kaaden