Opinie

    • Ellen Deckwitz

Ik geloof in iets

Op het moment van schrijven vieren we de Boekenweek voor Jongeren en in het kader daarvan reisde ik afgelopen vrijdag met diverse auteurs af naar Zutphen om de lokale jeugd een geweten voor literatuur te schoppen. Bij aankomst bleek ik een tjokvolle zaal te hebben.

„Wat heerlijk dat jullie allemaal voor deze workshop poëzie lezen hebben gekozen”, stuiterde ik, waarop eentje zei dat ze eigenlijk naar Eus wilden maar dat zijn lezing al vol zat. Ogenschijnlijk onaangedaan deelde ik mijn hand-outs uit. We behandelden Hagar Peeters, drs. P, Menno Wigman en ten slotte een van mijn lievelingsgedichten: Dagsluiting, van Gerard Reve: „Eigenlijk geloof ik niets,/ en twijfel ik aan alles, zelfs aan U./ Maar soms, wanneer ik denk dat Gij waarachtig leeft,/ dan denk ik, dat Gij Liefde zijt, en eenzaam,/ en dat, in zelfde wanhoop, Gij mij zoekt/ zoals ik U.” Het vers trof mij als tiener omdat het de vinger op de zere plek legt. De moderne mens is van kindsbeen af gedrild om aan alles te twijfelen (waardoor je soms uit het oog verliest wat de meerwaarde daarvan is – vooral omdat je dáár dan ook weer aan moet twijfelen) waardoor je kan vergeten hoe fijn het is om wél in iets te geloven. Dat hoeft niet per se God te zijn, maar kan ook vriendschap betreffen, de mensheid of, laten we eens gek doen, literatuur. Dat was althans mijn interpretatie, want toen ging de zaal los.

‘Dus eigenlijk vindt hij”, begon een van de leerlingen, „dat God niet bestaat?” „Nee gast”, zei een ander, „het gaat erom wat hij voelt als hij doet alsóf God er is.”

Langzaamaan lichtten er wat gezichten op, alsof er een gloeilamp bij werd gehouden.

„Het lijkt wel alsof hij dat nummer van Radiohead bedoelt”, zei een meisje met blauw haar, „waarin ze zingen ‘just cause you feel it doesn’t mean it’s there’! Luisterde Reve veel Radiohead mevrouw?”

De rest van de club keek haar vol medelijden aan omdat ze naar zulke fossiele muziek luisterde.

„Het gedicht kan er ook over gaan dat je verliefd bent en, tegen beter weten in, gelooft dat het wederzijds is”, zei een jongen met groen haar.

Nu knikte de groep synchroon, opgelucht dat ze het gedicht hadden weten te kraken en de wereld eindelijk weer overzichtelijk was.

Toen ze de zaal verlieten hoorde ik sommigen mompelen dat gedichten „toch niet helemaal zwaar zogen”. Ik keek hen na, al die medewezens die eigenlijk in niets geloven maar bij wie er, als ze doen wanneer iets toch misschien wel een klein beetje mogelijk zou kunnen bestaan, een nieuwe levenslol bij kwam. Opgewekt liep ik achter hen aan, hoorde hen lachen. Het is niet onopgemerkt gebleven.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz