Foto Frank Ruiter

Priester Antoine Bodar: ‘We waren vreselijk naïef.’

Lunchinterview Antoine Bodar (73) , priester, vindt zijn nieuwe boek „huiveringwekkend vroom”. Zijn liefde voor de moederkerk is onaangetast, ondanks de vele misbruikschandalen. „Ik mag op het gedrag van mijn medebroeders worden aangesproken.”

Het is toch even schrikken, zo vroom als Antoine Bodar (73) is, Nederlands bekendste priester. Terwijl hij zo vriendelijk oogt. Blauwe ogen in een jongensachtig gezicht, zijn stem zacht, zijn postuur tenger, zijn opvallend vlek- en rimpelloze handen steken uit de mouwen van zijn kostuum – zwart pak, zwart overhemd, witte priesterboord. Maar wat hij zoal schrijft en zegt… Zijn nieuwste boek Vervulling in bekering zou zo leesvoer kunnen zijn voor een orthodox-protestants boekenclubje. Met de bijbel in de hand hekelt hij de „verafgoding van de mens”, de „zelfmiddelpuntigheid”, de „genietingen van het eigen ik”. Hij roept op gewoon weer eens te leven alsof God wél bestaat in plaats van niet. Meent-ie dat nou allemaal echt? Ik kan het bijna niet geloven.

We zitten op maandagochtend in een etablissement in de Kerkstraat in Amsterdam, waar hij zo nu en dan woont. Dezelfde middag nog zal hij naar Rome vliegen, waar hij al bijna twintig jaar met een 24-tal geestelijken in een priestercollege woont. Geen lunch dit keer, maar een ontbijt. Voor hem bestaat dat uit twee bekertjes zwarte koffie. Zijn teksten zijn „huiveringwekkend vroom”, hij wéét het. „Ik ben populair bij conservatief christenen en neo-heidenen.” Onder vrijzinnigen, van katholieke én protestantse huize, ontmoet hij „weinig sympathie”. Hij is iemand die graag helder spreekt, zegt hij, in de wetenschap dat het mensen soms de gordijnen injaagt.

Tussen de overdenkingen en beschouwingen staan in zijn boek ook een tiental preken die hij uitsprak bij huwelijksinzegeningen. Van Harmen en Valéry, Robert en Mechtild, Eduard en Daphne. „Ik fris bij die gelegenheden de kennis op van wat het huwelijk betekent.” Een verbintenis tussen man en vrouw, die nimmer zullen scheiden wat God verbond, en die beloven het huwelijk vruchtbaar te laten zijn. Want wie geen kinderwens heeft, mag voor de katholieke kerk niet trouwen. Of, zoals hij het zegt: „Procreatie mag niet worden uitgesloten.” En de vrouw is maagd, neem ik aan? „ In de praktijk wonen de meeste bruidsparen al jaren samen, soms zijn er zelfs al kinderen.” Hij bemoeit zich niet met wat er tussen de lakens gebeurt, zegt hij. „Ik kan, wetende wat het heilige ideaal behelst, uitstekend leven met de weerbarstiger werkelijkheid. Wij kunnen goed omgaan met die kloof.” Wij katholieken? Of wij Antoine Bodar? Hij glimlacht en zegt: „We als pluralis modestiae.” Hij gebruikt het meervoud uit bescheidenheid, om het ik-woord te omzeilen.

Homohuwelijk afserveren

Ik kan het niet laten toch even naar de bekende weg te vragen. Wat weet hij, sinds 1985 celibatair levend, nou helemaal van het huwelijk? „Ik onderhoud levenslange vriendschappen. Ook ik weet dat men elkaar niet moet willen veranderen, dat mensen elkaars bezit niet zijn. Ik ben niet van gisteren.” En die nadruk op de plicht tot voortplanting, is dat niet gewoon een slimme manier om het homohuwelijk af te serveren? „Het begrip huwelijk is verregaand opgerekt. Ik begrijp niet waarom een levenscontract tussen gelijke geslachten ook zo nodig een huwelijk moet heten.” Soms komen er nog kinderen voort uit zo’n homohuwelijk ook, zeg ik. Hij, onbewogen: „Het is de vraag of men bij dergelijke constructies echt voldoende aan het kind denkt.” Hij drinkt zijn koffiebeker leeg en zegt: „Dit zijn zaken die je niet eenvoudig voor de vierschaar der logica kunt voeren.” Einde onderwerp.

Van school gestuurd

Straks, als hij weer in Rome is, schijnt de zon nog volop, verander ik van onderwerp. Hij verheugt zich erop, zegt hij, ook al brengt hij veel tijd binnenshuis door. „Daar leef ik als een monnik. Ik werk, studeer, bid. Hier sta ik op het podium. Ik ben op tv, de radio, ik schrijf boeken, geef les aan de universiteit.”

Antoine Bodar is niet verbonden aan een kerk of een congregatie. Wel vervangt hij zomers twee à drie weken de plebaan in de Sint Jans-kathedraal in Den Bosch, zijn geboortestad. Hij leidt de mis, en preken doet hij dan ook. Meestal gewoon uit het hoofd; hij spreekt over iets bijbels, over het leven, maar ook de actualiteit schuwt hij niet. „Deze zomer heb ik de misdrijven in de kerk behandeld.” Hij doelt op de beschuldigingen dat kerkelijk leiders wel wisten dat er binnen hun gelederen kinderen seksueel werden misbruikt, maar niet ingrepen. „Ik leg uit hoe het zo gekomen is. Hoe je het moet zien.” Nou? „Over dit soort zaken werd destijds binnen de kerk nooit gesproken, dat is punt a. De schaamte erover was enorm, dat is b. En we waren vreselijk naïef. Als een misdrijf eenmaal aan het licht was gekomen, dachten we dat het niet wéér zou gebeuren.”

Lees ook: Welke kerkelijk leiders komen voor in de misbruikdossiers van de Rooms-Katholieke Kerk

Maar wat hij ook wil benadrukken: „De kerk is het lichaam van Jezus. Christus is de bruidegom, de kerk de bruid.” En de zondigheid van de leden staat los van die kerk. „Het is lastig uit te leggen, maar mijn liefde voor de moederkerk is onaangetast.” Dat neemt niet weg dat hij vindt dat hij op het gedrag van mijn medebroeders mag worden aangesproken. „Als de gymleraar zoiets doet, of de psychiater… Dat mag natuurlijk ook niet. Maar wij geestelijken verkondigen hoe het leven geleid moet worden, we claimen het moreel gezag. De machtsverhouding is anders.” Maakt het uit of je leerling, patiënt of misdienaar bent?, vraag ik. Machtsmisbruik is machtsmisbruik.

„Ik ben van school gestuurd”, zegt hij ineens. „Wegens domheid.” Zo werd het aan zijn ouders medegedeeld. Hij was 16, zat in de vierde klas van het Ignatiuscollege in Amsterdam, destijds gerund door jezuïeten. „Ver voor al die misdrijven naar buiten kwamen, kreeg ik bezoek van een Nederlandse diplomaat die bij me in de klas had gezeten. Hij zei dat niemand begreep waarom ik toen van school moest.” Toen is hij „dingen gaan combineren”. „Een leerling die mindere cijfers haalt, stuur je toch niet weg? Die laat je in een zomer een herexamen doen. Die help je.” De jezuïet die zo gebeten was op zijn vertrek – hij doceerde Grieks – was altijd uit geweest op een „affectieve verbinding” met hem. „Hij haalde me aan. Van angst ben ik eens flauwgevallen in zijn kamer.” Maar, zegt hij snel, ik ben niet seksueel misbruikt. Hoewel. Later heeft hij erover gesproken met een psycholoog. „Zij zei dat dit soort gedrag tegenwoordig wel degelijk als misbruik wordt gezien.”

Hij haalde me aan. Van angst ben ik eens flauwgevallen in zijn kamer

Waren zijn ouders boos dat hij van school moest? „Mijn vader wist niet zo goed raad met me.” Zijn vader was ondernemer, maar toen de zaken slechter gingen, begon hij met vrouw en kinderen – twee meisjes, twee jongens – een nieuw leven in Amsterdam. „Ik was niet stoer en sportief zoals mijn oudere broer. Ik was het contrapunt. Een boekenwurm, een dromer.” Van kindsbeen af vast van plan om priester te worden en veel roomser dan zijn ouders. „Elke ochtend ging ik naar de mis, daarna fietste ik door naar school.” Hij was uit eigen vrije wil misdienaar, zong in het koor, leerde er z’n eerste woorden Latijn. Maar toen hij van school gestuurd werd, kon hij die priesterdroom wel vergeten.

Heeft hij daarom vijf studies gedaan? Doctoraal geschiedenis, kunstgeschiedenis, literatuurwetenschap, theologie. Gepromoveerd in filosofie. Om te bewijzen dat hij niet dom was? „Dit zijn aan elkaar verwante studies. Medicijnen, rechten én filosofie studeren, dat was iets bijzonder geweest. Ik wilde niks bewijzen, mijn belangstelling gaat uit naar hoe men leeft en denkt. De antwoorden vind je in kunst, in literatuur, in de geschiedenis.”

Te vroom, te ascetisch

Hij denkt even na. „Misschien, als ik mislukt was in het leven, had ik er anders over gedacht.” Maar vooralsnog is hij van mening dat een ieder die slachtoffer was van misbruik moet pogen „rust te krijgen over het gebeurde”. Hij heeft mails ontvangen van mensen die hem verzekerden dat zoiets onmogelijk is. „Ik begrijp de behoefte aan begrip, aan erkenning van wat hen is aangedaan. Maar wie genoegdoening blijft zoeken, vindt nooit berusting.”

In Droef gemoed, een boek dat begin dit jaar verscheen, vertelt Bodar over het „monster” dat depressie heet. Twee keer is hij erdoor aangevallen, rond z’n 21ste en rond z’n 50ste. En misschien, denkt hij nu, wel drie keer. Wegens voortdurende ziekte die „zich openbaarde in hevige hoofdpijn” werd hij op z’n 13de door het seminarium in Boxtel naar huis gestuurd. „Ik paste slecht tussen de Brabantse plattelandsjongens daar.” Hij was te stads? „Te vroom, te ascetisch ook. Ik was zo mager dat ze dachten dat ik tbc had.” Terug in Amsterdam – hij is er nog boos over – werd hij een klas láger gezet door de leraar Latijn voor wie hij als de dood was. „Niet te verwarren met de leraar Grieks die me later van dezelfde school zou verwijderen.”

Pas bij de laatste depressie is hij in behandeling gegaan. Op advies van de psychiater is hij naar Rome vertrokken, het zonnige klimaat daar zou heilzaam kunnen zijn. Alsnog heeft het jaren geduurd voor hij zijn ziekte de baas was. „Regelmaat, structuur, goede nachtrust. Werken is mijn therapie. Altijd een boek te schrijven, een studie te beginnen, een tv-programma op te nemen.” En helpt zijn geloof? „Godsgeloof is de zin van het leven.”

Hij is nu zo oud dat hij bijna dood is, zegt hij. Hij verheugt zich op het einde. „Niet uit droefgeestigheid, maar omdat leven dan voltooid is.” Wat als er daarna niks is? „Uiteraard hoop ik God te ontmoeten. Maar of dat zo is, dat zien we dan wel weer.”

    • Rinskje Koelewijn