Recensie

Hoe angst de wereld veroverde

Cultuur van angst

Kunnen toenemende angst en onzekerheid worden tegengegaan met kennis en feiten? Om deze vraag draait het in drie nieuwe boeken. ‘Het verdriet bij de magnetronmaaltijd in de lege jaren ’90 heeft plaatsgemaakt voor angst en onzekerheid.’

Illustratie Anne van Wieren

In de VS woedt een online discussie over spreekbeurten. Tieners maken bezwaar tegen het verplicht houden van presentaties op school, of antwoord geven op vragen van de leraar in de klas, want ze voelen zich te angstig en onzeker om in het openbaar hun mond open te doen. Een meisje oogstte duizenden likes en retweets met een bericht waarin ze leraren opriep om dit soort geforceerde presentaties te stoppen, dat ze besloot met de onbetwistbare woorden anxiety is real.

Volgens een stuk in The New York Times, met de kop ‘Prozac Nation Is Now the United States of Xanax’, heeft meer dan 30 procent van de kinderen tussen de 13 en de 17 last van anxiety. Xanax, voor zover het nog uitleg behoeft, is een middel dat wordt voorgeschreven bij angst- en paniekstoornissen. Het verdriet bij de magnetronmaaltijd in de lege, van ideologie gespeende jaren ’90 en ’00, heeft plaatsgemaakt voor angst en onzekerheid, want ook het dwangmatig verversen van de schermpjes biedt geen houvast in een wereld waar grenzen tussen publiek en privé, wetenschap en suggestie zienderogen oplossen.

Niet alleen tienermeisjes spreken zich uit over de aard en ernst van angst en ongerustheid. Deze zomer publiceerde de Britse socioloog Frank Furedi How Fear Works. Culture of Fear in the 21st Century. Furedi schreef in 1997 al een boek getiteld The Culture of Fear, en beziet nu met enig afgrijzen hoe de tendensen die hij toen waarnam verder tot wasdom zijn gekomen. Alles wordt angstig tegemoet gezien, van elk scenario stellen we ons de minst gunstige uitkomst voor, en dat komt, volgens Furedi, door een gebrek aan vertrouwen in menselijke vermogens en de tanende autoriteit van wetenschap.

Hij situeert het begin van wat hij onze cultuur van angst noemt in het interbellum. Als belangrijkste factor wijst hij op de toenemende secularisering. ‘Goden zijn de gesublimeerde uitdrukking van een fundamentele angst voor het onbekende’, schrijft Furedi. Het onbekende en angstwekkende kon een plek krijgen in het grotere verhaal van religie, en pijn, dood, verlies en andere zaken waar je je zorgen over kunt maken kregen daardoor tenminste nog betekenis. Ook kon het naleven van religieuze voorschriften enig gevoel van controle over het lot geven. Met het wegvallen van in eerste plaats het christendom en met de opkomst van psychologie werd angst vooral een negatieve en zelfs giftige emotie, aldus Furedi, die soldaten deed deserteren en bevolkingsgroepen verbond in de uitsluiting van anderen. ‘De angst voor God was vervangen door angst voor het leven’, schrijft Furedi (1947). En zo sprak Franklin D. Roosevelt bij zijn inauguratie in 1933: ‘The only thing we have to fear is fear itself.’

Een paar jaar eerder was Bertrand Russell optimistischer. In 1927 voorzag hij in de lezing Why I am not a Christian dat wetenschap de behoefte aan een soort vat voor het onbekende, genaamd god, overbodig zou maken. De wereld zou steeds minder geheimen bevatten en zo onzekerheid en angst uitbannen (en daarmee de noodzaak voor geloof).

Levensgevaarlijke poedermelk

En ook al heeft Russell geen gelijk gekregen, Frank Furedi blijkt van eenzelfde positivistische school. Waar de mens in de jaren negentig vreesde voor ontvoerde kinderen en zure regen, schrijft Furedi, is er nu angst voor terrorisme, het ineenstorten van de democratie, robots die de mens overbodig maken, klimaat-apocalyps, of zelfs een informatie-apocalyps, waarvoor een deskundige vorige week nog in deze krant waarschuwde. Iedere dreiging krijgt als vanzelf Bijbelse proporties aangemeten, volgens Furedi.

Angst kan alleen met vertrouwen worden tegengegaan, en daaraan ontbreekt het ons nu bepaald, meent Furedi, omdat het gedachtegoed van de Verlichting overboord is gegooid. Niet langer wordt ervan uitgegaan dat kennis al onze problemen kan oplossen. Furedi schrijft: ‘Het is normaal geworden om het project van de Verlichting naïef te noemen, en om wetenschappers te verwijten dat ze voor god spelen. Zulke kritiek op menselijke ambitie leidt onvermijdelijk tot een verzoening met – of tenminste eerbied voor – het lot.’ Volgens Furedi zijn er bovendien vele innovaties die met weerstand worden ontvangen omdat het onduidelijk is wat ze teweeg zullen brengen, zoals schaliegas en artificiële intelligentie. Maar toch vinden die vaak ingang. Ook enige scepsis over de Verlichting betekent nog niet het einde van de menselijke ambitie.

Voor iedere gezondheidsclaim, van gebarbecuede worstjes die de kans op kanker verhogen tot zogenaamd levensgevaarlijke poedermelk voor baby’s, is er wel een meer of minder grondig uitgevoerd wetenschappelijk onderzoek om de eigen onderbuikgevoelens te bevestigen, schrijft Furedi. Maar dat maakt zijn bewering dat wetenschap geen autoriteit meer heeft problematisch – want mensen lopen weg met meer of minder wetenschappelijke bewijzen, maar alleen als het hen uitkomt. Het is eerder wetenschappelijke consensus die nog maar moeilijk te ontdekken is binnen het schier oneindige aanbod.

Furedi besluit zijn boek met het advies om de jeugd van nu waarden bij te brengen die de angst een halt toe kunnen roepen, zoals moed, oordeelsvermogen en prudentie (deze laatste deugd zal niet bij veel kinderen aanslaan). Maar hoe zichtbaar, en real, angst ook is onder tieners, ze hebben die ongetwijfeld van hun ouders en hun omgeving, en de vraag is zeer wie de heropvoeding op zich gaat nemen.

Een auteur die overtuigender beschrijft hoe angst en wetenschap zich tot elkaar verhouden is William Davies in zijn boek Nervous States. How Feeling Took Over the World. Davies is econoom en socioloog aan Goldsmiths College in Londen. Anders dan Furedi, die krampachtig vast wil houden aan het verlichtingsideaal en kennelijk het liefst een ruime eeuw eerder had geleefd, probeert Davies de irrationele tendensen in de samenleving op een minder afwijzende manier te duiden.

2.617 swipes per dag

Davies gaat uitvoerig in op de beginselen van de moderne wereld, en de gevoelde noodzaak van filosofen en wetenschappers in de 17de eeuw om tot een objectieve waarheid te komen, sentimenten tweederangs te maken en vreedzaam samen te kunnen leven. Drie jaar na de Vrede van Westfalen in 1648 besloot Thomas Hobbes, volgens wie de mens bepaald werd door zijn angst voor de dood, zijn Leviathan met de woorden ‘Een waarheid die niemands voordeel of genoegen in de weg staat, is alle mensen welkom.’ Ook Hobbes zag waarheid als de beste remedie tegen angst, omdat de consensus die zo bereikt kon worden de vrede zou bewaren.

De uitgesproken stelling van Davies is dat de gemiddelde mens niet langer het gevoel heeft in vrede te leven, omdat terrorisme en cyberwar en drone-oorlog het verschil tussen oorlog en vrede hebben uitgewist. Hobbes’ reden om de waarheid te koesteren lost daarmee op. Een andere moderne scheiding die niet langer houdbaar is, is Descartes’ dualiteit van lichaam en geest. Vasthouden aan alleen de ratio, impliceert Davies, gaat eraan voorbij dat die scheiding allang ongegrond is verklaard. Angst voor de toekomst, pijn en sterfelijkheid zijn reële krachten in de samenleving, en feiten alleen kunnen ons niet redden.

Naast deze paradigmatische verschuivingen die Davies suggereert, komt hij ook met een groot aantal voorbeelden en cijfers die de opkomst van de Nervous State praktisch verklaren. Een opmerkelijke statistiek die Davies opdist komt uit een onderzoek van The Economist uit 2016 naar de invloed van gezondheid op stemgedrag. De Amerikanen die op Trump stemden waren er fysiek veel slechter aan toe dan degenen die voor Clinton kozen. Als er 7 procent minder diabetespatiënten in Michigan waren geweest, had Trump 0,3 procent minder stemmen gekregen en had Clinton nu in het Witte Huis gezeten. Of, zo stelt het onderzoek, als 8 procent meer mensen in Pennsylvania regelmatig zouden bewegen en 5 procent minder mensen in Wisconsin te veel zouden drinken, was de uitslag eveneens anders geweest. ‘De manier waarop ongelijkheid en onrechtvaardigheid ons lichamelijk raakt, en bepaalt hoe we lijden en wanneer we sterven, is mogelijk het schadelijkst voor onze hoop op een wetenschappelijk ingerichte samenleving’, concludeert Davies.

Uit een ander onderzoek dat Davies aanhaalt blijkt dat tussen 1978 en 2015 het inkomen van de Amerikaanse bevolking gemiddeld met 58 procent steeg. Maar het inkomen van de armste helft nam in die periode met 1 procent af, terwijl dat van de rijkste 0,001 procent steeg met 685 procent. Dat getal van 58 procent kan dan nog zo waarheidsgetrouw berekend en welluidend zijn, voor de helft van de Amerikanen moet het voelen als een leugen.

Veel aandacht heeft Davies ook voor de manier waarop kennis is verworden tot informatie, iets wat hij toeschrijft aan de wijze waarop economie en defensie communiceren. Een vrije markt geeft steeds real time de prijzen aan waar handelaren op kunnen reageren, en is zo een constante graadmeter van de stemming in het land en de wereld. Het leger functioneert van oudsher op intelligence, beperkte informatie over de omgeving en omstandigheden die ieder moment moeten worden bijgewerkt. Dat is het soort nieuws dat ook de online mens steeds bereikt, die elk moment een update krijgt over de stemming en de standplaats van vrienden en de uitspraken van de president, zonder context of tijd voor reflectie.

Lees ook: Lees ook de recensie van Fear, het geruchtmakende boek van Bob Woodward.

Volgens een kleine studie die Davies noemt raakt de moderne Westerse mens 2.617 keer per dag zijn telefoon aan. Ontwenningsverschijnselen ontstaan zodra de telefoon wordt afgenomen; de gebruiker is zo gewend om voortdurend te moeten reageren dat het hoofd niet is ingesteld op de prikkelloosheid.

Amerikaanse Droom

Dit zijn enkele ingrediënten van een wereld waarin de mens dusdanig gespannen en angstig is, dat duizenden Britten op Oxford Circus in november 2017 in paniek raakten toen twee forenzen elkaar op het metroperron een duw gaven. De politie moest het station ontruimen en een aantal mensen raakte gewond terwijl de massa zich een weg naar buiten baande.

Dat angst zorgt voor wantrouwen en daarmee de democratie ondermijnt, beschrijft tenslotte filosoof Martha C. Nussbaum in haar boek The Monarchy of Fear. A Philosopher Looks at our Political Crisis. Democratie heeft immers het vertrouwen nodig dat een meerderheid het goed met elkaar voorheeft. Nussbaum, gepokt en gemazeld in de klassieken, heeft een heel oeuvre bij elkaar geschreven met het ontleden van emoties, en bij angst horen volgens haar ook woede, afgunst, en afkeer – die volgens Nussbaum allemaal samenkomen in misogynie, waar haar voorlaatste hoofdstuk over gaat. De angst in haar boek is die van de Trump-kiezer (voor banenverlies, immigranten, gezichtsverlies) en de Democraten (voor Trump en zijn kiezers). Beide kampen vrezen dat de Amerikaanse Droom niet langer houdbaar blijkt, schrijft Nussbaum, en de hoop dat de kinderen van nu het beter zullen hebben dan hun ouders, is verdampt.

Nussbaum schrijft toegankelijk, maar haar diagnose van de Amerikaanse samenleving blijft op de vlakte. Door opmerkingen als ‘het is altijd onsmakelijk om een ander pijn en mislukking toe te wensen om zelf succes te krijgen’, beklijft het idee van een lange preek over vijf grote Amerikaanse zonden.

In vergelijking met de moralistische toon van Nussbaum en de cultuurkritische van Furedi is de onderzoekende aanpak van Davies een verademing, ook als hij wel heel veel onderwerpen aan elkaar knoopt en ze niet allemaal evenwichtig uitwerkt. Bovendien is het de vraag in hoeverre je de cultuur van angst kunt veroordelen zoals Furedi en Nussbaum doen. Het levert wellicht meer op om de mogelijkheid serieus te nemen dat de Amerikaanse Droom inderdaad voorbij is, en dat het niet almaar overal beter en rijker zal worden. Dat dat gepaard gaat met angst is geen wonder, ook al is het op termijn geen reden voor een verzoening met het lot.

    • Nynke van Verschuer