Recensie

Het nut is verslagen door luxe en design bij de nieuwe Volvo

Was de Grote Stationcar niet altijd Volvo’s handelsmerk, vraagt zich af in de nieuwe V60.

De Volvo V60 bij Svala Auto in Almere. Foto Merlijn Doomernik

Volvo’s kun je tegenwoordig recenseren voor je er een meter mee gereden hebt. De huisstijl is een copypaste-totaalpakket. Je kent dashboard, interieur, automaat en motoren van de S90 en V90, de XC40, XC60 en XC90. Je weet hoe ze rijden, niet te hard en niet te zacht. Hoe ze sturen, niet te scherp en niet te week. Hoe ze ruiken en voelen: heerlijk.

Ook de nieuwe V60 heeft het moeilijk te beschrijven Volvo-DNA dat de transitie van elitebaksteen naar shiny executive hoopgevend heeft overleefd. Achter de premium-façade van chroom, hout, aanraakschermen en wit leer waakt degelijke Zweedse orde over de rustgevende synergie tussen mens en auto. Het fijne grote touchscreen met vrijwel alle bedieningsfuncties is de witte raaf in zijn rampengenre. Het oude welbehagen is geconserveerd, die merkcultuur van meesterlijke stoelen en vijfsterrenzorg voor de inzittenden. Op een iets te snel genomen verkeersdrempel worden spontaan de gordelspanners aangetrokken. Dan weet je dat die auto om je geeft. Mooi is hij ook nog.

Een moeilijk te verwerken stijlbreuk is de motor. Hij is het sporthart in een seniorenlijf. Het is een tweeliter viercilinder turbo met 310 pk, het lijf een vierwielaangedreven station met een leeggewicht, hallo, van 1724 kilo. Op papier mankeert aan de prestaties niets. De trekkracht van 400 Newtonmeter zou voldoende moeten zijn. Zolang je niet het uiterste van hem vraagt, is de V60 inderdaad een kalme, stille auto. De pijn zit in de kramp waarmee de turbo zijn vermogen levert als dat wél moet. Dan schoffeert hij bruusk de zachte, adellijke toon van de klassieke vijfcilinders die Volvo wegens te hoge emissiewaarden uit productie heeft genomen. Bij vol optrekken verslikt de achttraps automaat zich in de ongewenste plicht tot harde actie en het met turbo-hightech opgeblazen miniblokje ridiculiseert het standsgevoel met proletarisch blèren. En dan is dit nog wel de krachtigste benzine-variant. Cultuurloze testosterontechniek.

Royale vijf- en zescilinders? Afgeschaft. Alle leverbare motoren zijn tweeliter viercilinders, diesels en benzines in twee respectievelijk drie sterktegraden, plus een plugin-hybride. Die downsizing had met lichtere modellen vast milieuwinst opgeleverd, maar het structurele overgewicht van nieuwe Volvo’s heeft dramatische gevolgen voor de emissiewaarden; 171 gram CO2 per kilometer en een E-milieulabel zijn stevig en een niet gering praktijkverbruik van krap aan 1 op 10 maakt het nog erger. Financiert Volvo zijn kostbare elektrificatieplannen soms met een moratorium op gewichtsbesparende technologie? Neem dan in godsnaam maar een diesel, die loopt rustiger. Het regenwoud was toch al dood.

Niet meer voor de Volvo-hoogleraar

Hoe relatief is vooruitgang. Net kocht ik uit nostalgie mijn vierde Volvo, een S60 T5 van 2001. De wittebroodsrit was een leerzame ervaring. De grote turbo-vijfcilinder klinkt altijd beschaafd en stressvrij. Hij haalt op lange reizen 1 op 13. Hij zit zo goed als een nieuwe. En hij is véél sneller. Als reiswagen is het tweedehandsje op majeure punten te verkiezen boven de V60. De met hightech volgestouwde test-V60 schuift ze-ven-en-tach-tig mille; de Volvo-hoogleraar van vroeger koopt maar een Renault. De mijne kreeg ik inclusief wit leer, automatische klimaatregeling en de voortreffelijke stereo voor vijf mee. Daar wil ik die bemoeizuchtig meesturende assistentiesystemen wel voor missen. Het Zen-gevoel kan zonder.

Welke plaats heeft de V60 in een gamma dat tot dusver op grote, functionele stations leunde? Hij verstouwt 120 liter meer bagage dan zijn voorganger, die er uitsluitend voor het oog was. En met zijn rechte achterruit lijkt hij meer op een station dan de grotere V90. Maar geen van beide kunnen ze tippen aan de 1.600 liter opslagruimte van de vorig jaar gesneefde V70. Bij de haast even lange V60 zijn het er 1.364. Teleurstellend.

Van de 1.82 meter lange laadvloer gaat het gat tussen voorstoelen en achterbank nog af. Wel is de vloer vrij vlak, zodat ik er met opgetrokken knieën kantje-boord de nacht kan doorbrengen. Veer met beleid op uit een nachtmerrie, het dak is laag. Op handen en voeten zit ik met mijn rug al tegen het plafond, waar natuurlijk nog wel plaats was voor twee premium-luidsprekers plus panoramaschuifdak. Behalve in het zitcompartiment, dat voor en achter ruim is, werd het nut met modieuze glans door luxe en design verslagen. Voor ruimte mag de Volvorijder à raison van minstens 76.000 euro naar een XC90 uitwijken. Die Gooise SUV slikt alles, maar was de Grote Stationcar niet altijd Volvo’s handelsmerk? Einde oefening. Te gewoontjes.

    • Bas van Putten