Opinie

    • Paul van Geest

Bisschoppen maakten een pijnlijk leerproces door

Met betrekking tot kindermisbruik zijn er in de Katholieke Kerk ook goede ontwikkelingen geweest, schrijft .

‘Ze wisten het wél’, kopte NRC (15/9). ‘Ze’ waren twintig van de 39 Nederlandse bisschoppen die van 1945 tot 2010 door hun overplaatsingsbeleid van roofdier-priesters indirect bijdroegen aan de voortzetting van misbruik van kinderen. Vier van deze twintig worden bovendien zélf beticht van misbruik. NRC is een invloedrijke krant: samenvattingen verschenen zelfs in een toonaangevend Italiaans dagblad. Daar was het oordeel dat de Katholieke Kerk zich in de ernstigste crisis bevindt sinds de Reformatie door het kindermisbruik en de cover-up daarvan.

Auteur Joep Dohmen heeft onderkend dat hij het tij mee heeft voor verhalen over misbruik in de Katholieke Kerk. Dus dist hij nog eens zaken op die in het rapport van de commissie-Deetman over het misbruik in de Katholieke Kerk uit 2011 zijn samengevat. Hierover heeft Dohmen zelf al uitvoerig en beter – want preciezer en minder tendentieus – geschreven. Het meest recente artikel bevat vreemde suggesties.

Zo is het enige dat wat mij betreft van bisschop Bär vaststaat, dat hij het bed deelde met ten minste één student van de priesteropleiding, maar niet dat hij kinderen heeft misbruikt. In 1994-1995 was ondergetekende part-time studieadviseur van de priesteropleiding van het bisdom Rotterdam. In die hoedanigheid kon ik de lijsten met seminaristen uit voorgaande jaren inzien. Daar zaten weinig studenten bij onder de 21 (destijds de meerderjarigheidsleeftijd). Mij hebben geen signalen bereikt dat Bär met hen verkeerde.

Historicus Ton van Schaik heeft al in 2011 wel heel erg aannemelijk gemaakt dat bisschop Ter Schure onmogelijk op de plaats aanwezig kan zijn geweest waar hij misbruik zou hebben gepleegd.

Dohmen laat verder onvermeld – en hij had dit kunnen weten uit Ton Crijnens biografie over kardinaal Simonis – dat deze destijds een priester heeft overgeplaatst op gezag van een psychologisch rapport. Hierin werd volgens de toen heersende opvatting pedoseksualiteit als behandelbaar gezien. In het geval van de desbetreffende priester werd het gevaar van recidive uitgesloten. Het is ingewikkeld, ook niet geheel terecht, om met de vermeerderde kennis van nu (‘pedoseksualiteit is niet te genezen’) beslissingen te veroordelen die zijn genomen op basis van kennis van toen (‘pedoseksualiteit is te genezen’).

Avery Dulles, gasthoogleraar aan de Gregoriana in Rome en later kardinaal, meldde ons daar destijds dat in oordelen over feiten en formuleringen in de theologiegeschiedenis altijd psycho- en sociopathologische factoren meespelen. Een keizer wil eenheid in zijn rijk en dus een algemeen herkenbare geloofsformule bijvoorbeeld.

Mutatis mutandis geldt dit ook met betrekking tot bekend onderzoeksmateriaal uit de kerkgeschiedenis. Aversie tegen een instituut kan zo’n psychopathologische factor zijn die dode hoeken veroorzaakt. Zo neemt Dohmen niet waar dat er met betrekking tot kindermisbruik in de Katholieke Kerk goede ontwikkelingen zijn geweest. De Nederlandse bisschoppenconferentie heeft zich de afgelopen jaren sterk gemaakt voor het bieden van erkenning, genoegdoening van en hulp bij de verwerking van het leed dat slachtoffers is aangedaan door geestelijken.

Uit het Eindrapport van de Stichting beheer & Toezicht inzake seksueel misbruik in de Rooms-katholieke kerk in Nederland, gepubliceerd in december 2017, wordt duidelijk dat de Nederlandse bisschoppen hierbij zorgvuldig en grondig te werk zijn gegaan. Dat Dohmen dit in het geheel niet vermeld heeft, vind ik echt merkwaardig.

Dit neemt niet weg dat ik Joep Dohmen dankbaar ben voor zijn artikel. Je kunt een instituut als een kerk niet hard genoeg confronteren met falend personeelsbeleid, of met daden die haaks staan op de eigen morele boodschap. En die daden zijn onmiskenbaar gepleegd, bijvoorbeeld door een bisschop als Niënhaus. Dohmen bewijst de slinkende kerk in Nederland dus een dienst.

Maar verbreding van zijn visie op de meeste bisschoppen lijkt dienstig. Het ooggetuigenverslag van Jan Willem Wits, destijds persvoorlichter van de Nederlandse bisschoppenconferentie, kan hierbij helpen. Het is te lezen op de website Nieuw Wij. Toen tijdens een bisschoppenvergadering bleek dat achter incidentele gevallen grootschalige problematiek opdoemde, zag hij bij de bisschoppen wel „veel schaamte én heel veel naïviteit”, maar niet „dat bisschoppen een soort leiders van een quasi-criminele organisatie waren die willens en wetens hun ogen sloten voor priesters die zichzelf niet konden beheersen”.

Bisschoppen hebben dus een pijnlijk leerproces doorgemaakt. Ook dit dient gezegd. Maar wel met de kanttekening dat zelfs hun leerproces het leed van slachtoffers niet ongedaan kan maken. Kon dat maar.

    • Paul van Geest