Opinie

Belangenverstrengeling

Eerste Kamer moet zelf schijn des kwaads zien te vermijden

‘In opspraak’ is een even algemeen als belastend begrip. Politici weten hierover mee te praten. Als het etiket eenmaal is opgeplakt, wacht op zijn minst een moeizame verweerperiode. Het beste is dan ook er voor te zorgen niet in opspraak te raken. Maar dat is ingewikkeld als het zo’n ongedefinieerd oordeel betreft.

Het Eerste Kamerlid Anne-Wil Duthler (VVD) heet sinds begin deze week in opspraak te zijn. Journalistieke onderzoekswebsite Follow the Money meldde dat zij in 2014 als senator meestemde met de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) waarin adviezen van haar eigen bureau waren verwerkt. De wet werd vier jaar geleden met één stem meerderheid door de Eerste Kamer aangenomen.

Een geval van belangenverstrengeling? Duthler vindt van niet. Het was een opdracht aan haar bedrijf geweest, maar ze had zich er niet persoonlijk mee bemoeid. Waarmee ze suggereert dat er geen direct persoonlijk belang mee was gemoeid. Blijft het feit dat zij wel leiding geeft aan Duthler Associates. De echte vraag is of Kamerleden zich geheel afzijdig moeten houden van wetgeving waarbij zij (in)direct zijn betrokken.

Het is een vraag die met enige regelmaat terugkeert en illustreert dat er geen panklare oplossing bestaat. De schijn van belangenverstrengeling moet worden vermeden, maar wat betekent dat? Voorzitter Annemarie Jorritsma van de Eerste Kamerfractie van de VVD verzuchtte niet ten onrechte dat straks alleen nog maar baby’s en mensen die nooit maatschappelijk actief zijn geweest lid van de Senaat kunnen worden als de zuivere lijn tot het uiterste wordt toegepast.

De Eerste Kamer bestaat uit een gezelschap niet rechtstreeks gekozen deeltijdpolitici. Mensen die geacht worden met enige afstand – los van de waan van de dag zoals dan wordt gezegd – te oordelen over consistentie en uitvoerbaarheid van wetgeving. Juist maatschappelijke ervaring elders opgedaan kan hen daarbij helpen.

Tot zover de theorie. In de praktijk zijn het partijpolitici die het coalitiespel net zo trouw spelen als hun collega’s in de Tweede Kamer aan de overzijde. Alleen met dit verschil dat zij vaak nog een ‘gewone’ baan hebben en daardoor in verband kunnen worden gebracht met andere belangen.

En daar kan het gaan wringen. Bij elke wet is er wel een senator die een bovengemiddeld belang heeft bij aanvaarding dan wel verwerping ervan. Vandaar de praktijk bij de meeste fracties dat direct betrokkenen niet het woord voeren over wetsvoorstellen die hen direct raken. Wat overigens niet wil zeggen dat zij in het voorbereidende overleg in de eigen fractie niet meepraten. Integendeel daar wordt hun kennis ‘vanuit de praktijk’ juist op prijs gesteld.

Er is kortom een grijs gebied dat niet bestreden kan worden met regelgeving tenzij er voor wordt gekozen alle functies buiten de Eerste Kamer te verbieden. Maar er kan in het kader van de integriteit wel gekozen worden voor maximale openheid over de maatschappelijke activiteiten van de senatoren. Die intentie is overigens al eerder uitgesproken, maar vervolgens weer verwaterd. Dat is het échte probleem.

Politici opereren in een glazen huis. Een glazen huis waar de buitenwereld met meer scepsis dan vroeger naar binnen kijkt. De leden van de Eerste Kamer met al hun maatschappelijke kennis moeten zich daarvan bewust zijn. Het betekent schijn vermijden en maximaal transparant zijn. Eigenlijk heel simpel dus.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.