50.000 stadsbijen op je dakterras

Stadsbijen Een bijenvolk in je tuin of op je balkon? Steeds meer Amsterdammers plaatsen zelf bijenkasten. Goed voor de bestuiving – maar ga niet ‘zomaar’ wat lopen imkeren.

Imker Mark van Doesburgh met zijn stadsbijen aan het werk (en dus met kap) op zijn dakterras in Diemen. Foto Christiane Bosman

„Mijn bijen zijn echte Amsterdammers”, zegt imker Dorinde de Tempe. Haar kasten staan op het grinddak van Vlaams Cultureel Centrum De Brakke Grond, hartje stad. Als je om je heen kijkt niets dan steen. Toch vinden haar bijen voldoende voedsel in de binnentuinen en de lindebomen, de belangrijke Amsterdamse drachtboom.

Het begon met enkele kasten, nu heeft ze bijen op meerdere locaties, waaronder op haar balkon in de Jordaan. „In steden als Parijs, Berlijn, Londen en New York is het stadsimkeren al lange tijd enorm populair”, aldus De Tempe. „Het is echt een trend bijenkasten te plaatsen op dakterrassen en balkons. Stadsbewoners zijn zich bewust van de noodzaak van groen. De belangstelling voor insecten hangt hiermee samen. Maar imkers in spe moeten er wel voor zorgen dat ze goed overleg plegen met de buren en dat de volken, die in het voorjaar en de zomer wel zo’n 50.000 bijen tellen, op veilige afstand staan.”

Zwerm op het Rokin

Er bestaat het gevaar dat een teveel aan stadsbijen de wilde bijen en hommels in de weg zit: de balans mag niet verstoord worden en er moet voldoende voedsel zijn. Bijen hebben ruimte nodig. De Tempe ‘schept’ ofwel vangt bijenzwermen en biedt ze een kast; zo ving ze eens een zwerm op het Rokin. Volgens haar zijn deze stadsbijen „sterke volken die aangepast zijn aan het vinden van voedsel in de bebouwde omgeving”.

Ze is er geen voorstander van bijenvolken en koninginnen via handelaren uit andere landen te betrekken, zoals Tsjechië of Slovenië. Ze wil haar ‘Amsterdammers’ zo gezond mogelijk houden, zonder vreemde invloeden. Dit seizoen had ze een rijke oogst van 250 kilo honing, terwijl de bijen zelf genoeg voedsel voor de winter hebben. Haar Mokumse Stadshoning is onder meer te koop in De Brakke Grond zelf.

Voor Mark van Doesburgh, die een bijenkast houdt op zijn dakterras aan het eind van de Middenweg, komt de reden tot bijen houden „voort uit grote zorg over de bedreiging en wereldwijde afname van insecten”. Vorige week haalde hij bij de Imkerbond in Zuidoost zijn diploma. Van Doesburgh: „Het is belangrijk dat je goede afspraken maakt met de buren. Mensen zijn bang voor wespen, die ze vaak verwarren met bijen. Sinds ik zelf een bijenvolk heb, praat ik er veel over met vrienden, familie en onze kinderen. Deze bewustwording vind ik een van de mooiste aspecten van het stadsimkeren.”

Luister ook naar deze aflevering van onze podcastserie Onbehaarde Apen: Waar gaat het heen met onze insecten?
U kunt zich ook abonneren via iTunes, Stitcher, Spotify of RSS.
Lees ook dit artikel over de hommel: ook zij doen het in de stad relatief beter dan op het boerenland Hommel gedijt beter in de stad dan op het platteland

De bijen van Van Doesburgh – ook Amsterdammers – vliegen op de Oosterbegraafplaats en in het Diemerbos. Van Doesburgh benadrukt dat hij „bijen is gaan houden omdat in het landelijk gebied een monocultuur heerst, met weinig biodiversiteit. In de stad is dat anders, daar bloeit door het jaar heen van alles.” De stadsimkers zijn het erover eens dat een cursus volgen noodzakelijk is: zomaar gaan imkeren kan een bedreiging vormen, want ziektes verspreiden zich snel.

Imker en bijeninstructeur Rene Genet geeft beginnerscursussen die telkens zo goed als volgeboekt zijn. „Amsterdammers zijn helemaal los gegaan in hun liefde voor bijen”, zegt hij. „Tot in 1966 was het verboden in Amsterdam ongeregistreerd bijen te gaan houden. Dat is veranderd; sindsdien staat het iedereen vrij. Amsterdam kent geen officiële regels voor het plaatsen van bijen, in tegenstelling tot andere plaatsen waar wel voorschriften zijn, bijvoorbeeld het plaatsen van een kast op 30 meter afstand van de openbare weg.” Volgens Genet wilden mensen door te gaan stadsimkeren de honingbij redden, want er verschenen berichten over alarmerende terugval. Tot 2015 noteerde de stad de aantallen honingbijen en wilde bijen op bijenkaarten. Maar die kaarten worden helaas niet geactualiseerd, dus „we moeten gissen naar de aantallen”, aldus Genet.

Genet schat dat er nu zo’n 700 tot 800 kasten worden gehouden door zo’n 200 officiële imkers. Maar het is onmogelijk een overzicht te krijgen. Hij becijfert dat zo’n 200 hobby-imkers geen lid zijn van de overkoepelende Nederlandse Bijenhouders Vereniging. Dit heeft tot gevolg dat bij het uitbreken van een bijenziekte, bijvoorbeeld Amerikaanse vuilbroed, niet iedereen aangeschreven kan worden om verspreiding te voorkomen. „We zijn het overzicht kwijt”, aldus Genet, „er is geen registratieplicht.” Met de oprichting van de Amsterdamsehoning.nl wil Genet bijenhouders en liefhebbers met elkaar in verbinding stellen: er ontstaat een community waarin mensen met belangstelling voor insecten en voor groen elkaar kunnen ontmoeten.

‘Een rommeltje’

Arie Koster, lector Bijvriendelijk Beheer aan het Wellantcollege, een professionele groene onderwijsinstelling, deed in opdracht van de gemeente Amsterdam in 2015 onderzoek naar bijenvolken in de stad en in het Amsterdamse Bos. Hij ontdekte regelmatig bijenvolken van niet-gecertificeerde imkers die tot zijn grote schrik „een rommeltje waren”. Koster: „Dat is een ramp voor zowel de nectarvoorziening van andere honingbijen als van vlinders.” In zijn onderzoek komt Koster tot de slotsom dat er secuur toezicht moet komen op het aantal bijenvolken in de stad. Ook onderzocht hij het delicate evenwicht tussen wilde bijen en honingbijen – een heldere conclusie is er nog niet.

Docent bijenteelt en imker van de Amsterdamse Hortus, Annemieke Timmerman, noemt haar stadsimkerij Soet Heem. Ooit begon zij met een kast, zoals bijna alle stadsimkers, maar al snel groeide het aantal. De kasten in haar achtertuin, die grenst aan een gemeenschappelijke binnentuin in stadsdeel Westerpark, hebben namen van steden als Parijs en Lissabon. Ze zegt: „Ik ben een stadsmens en wilde graag meer groen in mijn omgeving. Ik volgde een cursus bijen houden omdat de ambachtelijkheid me boeit en meer groen in de stad direct te maken heeft met insecten. Er is een verschil tussen een echte imker en een bijenhouder. Een imker heeft zorg voor de volken. Hij of zij moet voorkomen dat te grote volken zich afsplitsen en gaan zwermen.”

Timmerman juicht de hype van bijen houden toe, zo’n tien jaar geleden begonnen. Maar ook zij ziet de problemen: „Nederland is het enige land in Europa waar geen wettelijke registratieplicht geldt, bijvoorbeeld bij de overkoepelende Bijenhouders Vereniging. Imkeren vereist kennis en praktijkervaring. Je hebt als taak een volk gezond te houden. De niet-geregistreerde imkers zijn freeriders. Er zijn helaas ook losgeslagen amateurs die hun volken verwaarlozen en daarmee bijen, buren en andere imkers schade aanbrengen.” Ook Timmerman zou antwoord willen hebben op de vraag in hoeverre honingbijen en wilde bijen elkaar in de weg zitten: zover ze kan beoordelen heeft „eventuele concurrentie niet gezorgd voor afname van de meer kwetsbare wilde bijen”. Wilde bijen leiden een solitair bestaan, in tegenstelling tot honingbijen, die in kolonies leven.

Stadsimkers leven met hun liefde voor bijen dicht bij de natuur en het ritme van de seizoenen. „De gemeente zou voor meer dracht van bomen, bloemen en planten moeten zorgen”, zegt Timmerman. In een bestrate omgeving is voor insecten niets te halen. Ook de bijen van Timmerman zijn Amsterdammers; ze noemt hen met een liefkozend woord een ‘vuilnisbakkenrasje’.

Inl: www.amsterdamsehoning.nl
    • Kester Freriks