Parlementair taalgebruik

Ewoud Sanders

Na de Algemene Politieke Beschouwingen van vorige week begint de vraag zich op te dringen hoe ver politici kunnen gaan voordat zij door de Kamervoorzitter worden teruggefloten. Ik denk hierbij natuurlijk aan het twistgesprek tussen PVV-leider Wilders en Kuzu van Denk.

Wilders, die de beschouwingen mocht openen, zette meteen de toon. Ik telde drie keer oprotten en één keer „Rot zelf lekker op!” Dit was gericht tegen „de bende van Denk”, zoals Wilders ze noemde. Kuzu’s reactie: „Ik heb heel duidelijk gezegd dat mensen die vinden dat jongeren die hier zijn geboren en getogen moeten oppleuren of oprotten, dat die wat mij betreft zelf hun biezen kunnen pakken en daar is de heer Wilders het levendige voorbeeld van.”

Je biezen pakken: het begint een verouderde uitdrukking te worden. Dat komt zonder twijfel mede door de grote concurrentie van oprotten en oppleuren.

Korte samenvatting van de eerste drie minuten van de Algemene Beschouwingen: vijf keer oprotten en één keer oppleuren. Welkom in het Nederlandse parlement!

Zoals bekend heeft het gebruik van deze woorden door onze volksvertegenwoordigers een voorgeschiedenis. Het was premier Rutte die in 2016 in een uitzending van Zomergasten zei: „Lazer zelf op. Pleur op, zou ik in het plat-Haags zeggen.” Dit als commentaar bij beelden van Turkse demonstranten die ‘oprotten!’ riepen tegen een cameraman en verslaggever en hun daarna het werken onmogelijk maakten.

Ruttes commentaar leidde vanzelfsprekend tot debatten in de Kamer, waardoor het woord oppleuren daar debuteerde, samen met de variant pleurt op. Oprotten was al eerder in de Kamer te horen geweest, voor het eerst in 1984, uit de mond van een PvdA-politicus: „De regering [laadt] de verdenking op zich dat ze met een schamel geldbedrag de buitenlanders wil laten oprotten.” Dankzij Rutte maakte het een stevige comeback.

Inmiddels lijken oprotten, oppleuren en oplazeren in Haagse kringen zo geaccepteerd dat de Kamervoorzitter ze kritiekloos laat passeren. Ik vind dat opmerkelijk, zeker als je bedenkt dat van politici nog altijd wordt verwacht dat ze een voorbeeldfunctie vervullen.

Wat we hier zien is dissen in de primitiefste vorm. Dat leren we op het schoolplein. Van de basisschool. Als iemand daar tegen je zegt „doe effe normaal” zeg je op die leeftijd: „Doe zelf effe normaal.” Of: „Pleur, lazer, rot, tief(t) zelf lekker op.”

Het is een soort echotaal die vooral demonstreert dat je taalvaardigheid nog onderontwikkeld is. Dat geldt bij uitstek als je het woord lekker toevoegt, zoals Wilders nu deed tegen Kuzu.

Tot 2001 werd onparlementaire taal wel door de stenografen genoteerd, maar in een apart bestand, het zogenoemde lijkenregister. Nu komt alles in de Handelingen, dus ook zinnetjes als „Effe dimmen” (Jan Marijnissen in 1997 tegen Kamervoorzitter Weisglas) en „karpatenkoppen” (Dion Graus in 2014 over Oost-Europeanen). Na Graus’ opmerking zei de toenmalige Kamervoorzitter, Anouchka van Miltenburg: „Voordat ik het woord geef aan de staatssecretaris, wil ik voor de Handelingen hebben opgemerkt dat scheldwoorden hier niet thuishoren in het debat.”

Dat zou de huidige Kamervoorzitter ook kunnen doen: grof taalgebruik stoppen of meteen van kritiek voorzien. En niet, zoals nu, pas achteraf na klachten van burgers die vinden dat het in het parlement de spuigaten uitloopt.

schrijft elke week over taal. Twitter: @ewoudsanders
    • Ewoud Sanders