Oude vlegels, wrede slapstick

Strips in de krant De voorlopers van Fokke & Sukke gaan eeuwen terug. Via kunstenaars als Rodolphe Töpffer en meester in vlegelwreedheden Wilhelm Busch, ontstond de cartoon- en striptraditie in kranten.

Donald Duck mag dan als beroemdste stripeend van de wereld broekloos door het leven gaan, en zo zijn uitgegroeid tot symbool van (gefrustreerde) seksloosheid, Fokke en Sukke laten dagelijks zien dat ze uit ander hout gesneden zijn.

De cartooneend en -kanarie, die elke dag in NRC grappen over de actualiteit maken, zijn ook broekloze vogels, maar tonen duidelijk hun geslacht. Zelfs als ze een broek of iets anders schaamstreekbedekkends aanhebben, tekent Fokke & Sukke-tekenaar Jean-Marc van Tol daar vaak een gat in, zodat je het zaakje van de gevederde kwajongens duidelijk ziet hangen.

Noem het een knipoog naar Disney. Of een middelvinger.

Hoe dat zij, het maakt duidelijk dat de makers van Fokke & Sukke zichzelf nadrukkelijk in een traditie plaatsen. De lange traditie van satirische prenten en beeldverhalen in druk maakte vooral in de negentiende en begin twintigste eeuw, met de opkomst van massadagbladen, een enorme bloei door in Amerika en Europa.

Zowel Fokke & Sukke als Kamagurka, de Vlaamse cartoonist die ook dagelijks met een tekening de actualiteit in NRC becommentariëert, kunnen soms scherpe politieke grappen maken – maar ze zien zichzelf meer als onderdeel van de bredere striptekenkunst, dan dat ze zichzelf als louter politieke spotprenttekenaars zien.

Met het verdwijnen van de Koude Oorlog is dat type specifieke spotprent, waarbij politici met karikaturale grote neuzen of anderszins groteske vervormingen gehekeld worden om hun politieke besluiten, opvattingen of schandalen, op zijn retour in de Nederlandse pers.

De makers van Fokke & Sukke (John Reid, Bastiaan Geleijnse en Jean Marc van Tol) en Kamagurka geven in hun tekeningen ook meer satirisch commentaar op het moderne, alledaagse leven in brede zin, dan alleen op politieke schermutselingen hier en overzee.

Spotprent in de achttiende eeuw

En daarmee sluiten ze aan bij het ontstaan van de moderne beeldverhaalprentkunst. De moderne strip- en prentcultuur komt voort uit de prefotografische illustratietraditie, volgens de Belgische stripwetenschapper Thierry Smolderen in zijn boek The Origin of Comics (University Press Mississippi, 2014). Hij wijst een paar kunstenaars aan die een sleutelrol speelden in de ontwikkeling van de satirische prent- en stripkunst.

De eerste is de achttiende-eeuwse Britse kunstenaar William Hogarth, die succesvolle series gravures uitbracht waarin maatschappelijke misstanden in opeenvolgende prenten gehekeld en bespot werden, zoals The Rake’s Progress, over een rijkeluiszoontje dat zichzelf het gekkenhuis inzuipt, of Marriage A-la-Mode, dat waarschuwt tegen de gevolgen van een huwelijk louter om geld. Omdat die prentenseries zo populair waren, werden er veel roofdrukken van gemaakt, en pleitte Hogarth voor bescherming van prentkunst. Dat resulteerde in de eerste copyrightwet voor visuele kunstenaars, de Engraver’s Copyright Act uit 1735.

Als eerste stripboektekenaar en -schrijver geldt de Zwitserse schilder en letterkundige Rodolphe Töpffer die eerst voor privégebruik en later in druk verschenen satires maakte op het negentiende-eeuwse moderne leven, dat toen ook al almaar sneller leek te gaan, zoals Histoire de Monsieur Cryptogame (1845), in Nederland bekend als Reizen en avonturen van Mijnheer Prikkebeen.

Töpffer inspireerde weer Wilhelm Busch, een laat negentiende-eeuwse Duitse tekenaar en schrijver die veel in de karikatuurbladen zoals Fliegende Blätter tekende over plagen die brave burgers treffen. Hij werd vooral beroemd door zijn wreed satirische strip over twee kwajongens Max und Moritz en hun streken, (1865) die als boek en in Duitse bladen verschenen.

Die beeldverhalen over geplaagde burgers en wrede slapstick van deugnieten bleken in de VS enorm inspirerend. De kranteneigenaars van begin twintigste eeuw wilden veel mensen aanspreken, en cartoons en stripverhalen (comics) bleken zeer populair bij volwassenen. Omdat strips lezers trokken, was er geld en ruimte om er mee te experimenteren.

Paginagrote strips

De moderne stripvorm ontwikkelde zich. R.F. Outcault maakte voor de krant New York World de eerste ballonstrip, The Yellow Kid (1895), vol sociale satire over de New Yorkse achterbuurten. Een strip gebaseerd op Max und Moritz, The Katzenjammer Kids, was zo populair, dat krantenmagnaat William Randolph Hearst van The New York Journal de maker, Rudolph Dirks verbood er mee te stoppen. Toen hij dat na vijftien jaar, in 1918, toch deed, moest een ander de reeks voortzetten.

Striptekenaar en showman Winsor McCay experimenteerde in die tijd met beeldtaal in zijn paginagrote strips als Little Nemo in Slumberland. En hij begon ook strips te laten bewegen, in de eerste animatiefilms. Rond 1920 begon ook de jonge Walt Disney in Kansas City, die eerst krantenstriptekenaar wilde worden, met cartoon-animaties. Tekenfilms maken was de hoofdzaak voor Disney, maar hij verkocht ook zijn stripverhalen over kwajongensachtige cartoondieren aan kranten en bladen.

Rond 1930 bereikten die Amerikaanse strips, van onder andere Disney, per krant zowel Georges Remi (Hergé) in België als Marten Toonder in Nederland. Dat inspireerde hen tot de krantenstrips als Kuifje en Tom Poes, die in de jaren veertig, tijdens de oorlog populair worden.

Tom Poes en Ollie B. Bommel waren tientallen jaren lang de voornaamste stripfiguren in NRC, tot 1998. Een echte nieuwe krantenstrip kwam daarna niet voor de strippoes en -beer in de plaats, al maakt Kamagurka vanaf 1979 in NRC naast zijn absurdistische cartoons ook stripreeksen, zoals over antiheld Bert Vanderslagmulders en zijn hondje Bobje. Eigenlijk voorzien dagelijkse cartoons van Kamagurka en Fokke en Sukke, sinds 1999, in NRC in de behoefte van strip én politieke cartoon.