McQueen wist drugs en paranoïa te kanaliseren in oogstrelende kleding

Profiel De kwetsbare Alexander McQueen werd een superster met oogstrelend morbide mode. En ging deprimerend voorspelbaar ten onder.

Foto ADeniau

Er is iets met de modewereld, zegt model Jodie Kidd in de documentaire over de jong gestorven Britse ontwerper Alexander McQueen die deze week uitkomt. „Veel mensen lijden aan angsten en- paniekaanvallen, depressies komen heel veel voor. De industrie voedt je ego en dat heeft een negatief effect. Je verliest jezelf, en dan is er geen weg terug uit de duisternis.”

Dat fotomodellen doorgaans niet in de beste mentale gesteldheid verkeren laat zich raden: onlangs nog promoveerde socioloog Sylvia Holla op een onderzoek naar de modellenscene in Amsterdam, Warschau en Parijs, waarin werd bevestigd dat het schoonheidsideaal waaraan de mode-industrie zijn ‘kleerhangers’ onderwerpt maar weinigen komt aanwaaien. Er wordt keihard getraind en gelijnd, de eenzaamheid is groot. Hoe prestigieuzer de opdracht, des te hoger zijn de eisen.

Voor topontwerpers geldt dat ook. Het tempo waarin ze nieuwe collecties moeten presenteren is moordend hoog: reden voor het Nederlandse ontwerpersduo Viktor & Rolf om in 2015 te stoppen met confectie en zich weer te concenteren op haute couture. Een jaar eerder deed Jean Paul Gaultier hetzelfde. Hoewel een ontwerper in theorie achter de naaimachine verscholen zou kunnen blijven, vergt de opbouw van een succesvol merk ook een uitgesproken persona, een look: de staart en zonnebril van Karl Lagerfeld, de sluike lokken en het zware brilmontuur van Yves Saint Laurent. Aan de verbouwde gezichten van John Galliano en Calvin Klein is te zien dat ouderdom slecht wordt verdragen.

In McQueen is stap voor stap te volgen hoe een gevoelig, hyper-getalenteerd ontwerper ten onder gaat aan het vak waarvoor hij geboren lijkt. Lee McQueen, zesde en jongste kind van een lerares maatschappijleer en een taxichauffeur in Oost-Londen, kan zijn hoofd niet bij school houden omdat hij steeds jurken zit te tekenen. Hij leert het kleermakersambacht op Savile Row en wordt zomaar aangenomen op de mode-masters van Central Saint Martins - het collegegeld krijgt hij van een tante. Als mollig en „sorry dat ik het moet zeggen, onaantrekkelijk” joch, in de woorden van de directrice van Saint Martins, ontwikkelt McQueen een uniek handschrift, waarin zijn fascinatie voor ziekte, geweld, dood een uitweg vindt in woest-romantische ontwerpen. Zijn eindexamenpresentatie (‘Jack the Ripper Stalks his Victims’) maakt zo’n indruk dat invloedrijk stiliste Isabella Blow alle stukken koopt. Zij pusht hem verder: Alexander moet hij voortaan heten, zijn tweede naam.

De duisternis die van meet af aan uit zijn werk spreekt, raakt een snaar bij Blow, die op haar vijfde haar broertje verloor en met depressies kampt. McQueen torst zijn eigen drama met zich mee: als kind werd hij misbruikt door de gewelddadige man van zijn oudste zus, en hoewel zijn coming out niet voor een blijvende vete zorgde, waren de anti-homo grappen van zijn vader niet makkelijk te verdragen. Hij klemt zich vast aan zijn moeder, die hem koestert en zijn vak serieus neemt.

Lees ook: Zelfdestructie van een mode-prins

„Mode is een bubbel, en ik hou ervan om hem door te prikken”, zegt McQueen in de film. Aanvankelijk is dat een gezonde energie: intimi als assistent Sebastian Pons en haarstiliste Mira Chai Hyde halen dierbare herinneringen op aan de werkmarathons in McQueen’s atelier, waar de dag geen einde kende en cd’s van componist Michael Nyman het team voortstuwde tot ze er - letterlijk - bij neervielen. Er werd gelachen en gekeet, alles voelde als een spel. Geld was er niet, maar McQueen’s reputatie was groeiende. Zijn nog altijd morsige gestalte verhoogde zijn street credibility.

Het vervolg is even wetmatig als deprimerend. Parijs roept: McQueen wordt op zijn 27ste gecontracteerd bij Givenchy en landt met zijn rebellenclubje in een starre paleiscultuur van hoge budgetten, een privé-chauffeur en horden gedienstige naaisters. Hij houdt zijn eigen merk in Londen aan en werkt voortaan dus dubbel zo hard. Hij wordt steeds rijker en steeds ongelukkiger. Met liposuctie dwingt hij zijn lijf in de mal van ‘succesvol ontwerper’; het klopt alleen voor het oog. Drugs, paranoia, verbroken vriendschappen, hiv, twee dierbare sterfgevallen: tot het laatst weet McQueen het te kanaliseren in even morbide als oogstrelende kleding, maar zijn suïcide in 2010 komt in de film niet als verrassing.

Intussen dendert de modetrein voort. Met elk nieuw seizoen vervliegt het vorige. Het merk Alexander McQueen bestaat nog; zijn geliefde schedels staan op goed verkopende sjawls. Wat zal er van zijn grenzeloze inzet beklijven?

    • Sandra Heerma van Voss