Opinie

    • Tom-Jan Meeus

Hoe Wilders’ platheid en verwildering uiteindelijk heel Den Haag infecteert

Deze week: de verplatting en verwildering van de Haagse omgangsvormen.

Ofwel: waarom bijna alle partijen stilletjes Wilders’ stijl gingen imiteren.

Aan alles komt een einde. Dus deze week dacht ik: dat eindeloze ‘benoemen’ van problemen in Den Haag, en dat krampachtige verlangen van elke partij om ‘het eigen verhaal te vertellen’ – is dat onderhand niet eens mooi geweest?

Uiteraard horen politici maatschappelijk ongenoegen te agenderen. Uiteraard horen ze daarbij uit te gaan van de eigen visie.

Maar dat krijgen we, op Prinsjesdag en bij de Algemene Politieke Beschouwingen, allang niet meer voorgeschoteld.

Dan krijgen we vooral ongegeneerd egoïsme van de politieke kaste gepresenteerd – platheid en verwildering.

Dat hele ‘benoemen’ van problemen is vervallen tot een alibi voor zelfpromotie: politici die claimen problemen te agenderen – maar in feite zichzelf agenderen.

En die ‘eigen verhalen’, we mochten er bij de Algemene Politieke Beschouwingen dertien aanhoren, blijken hoogst zelden te bestaan.

Grote woorden die verhullen dat verschillende maatschappijvisies marginaal tot ander beleid leiden.

Of zwaarbeladen voorstellen – een verbod op islamitische uitingen (PVV), zwaarder straffen in probleemwijken (VVD) – waarvan de indieners ook zelf op voorhand weten: totaal kansloos.

Geen plannen voor mensen, plannen voor politici: gratis vertoon van populistische correctheid.

En wat erbij komt, dit is pas echt zorgelijk, is een escalerende vergroving van de omgangsvormen. Ruzie zoeken als doelstelling, zelfs binnen de coalitie.

De ene politicus wil dat de andere oprot. De andere suggereert: rot zelf op. In de coalitie gaat de ene politieke partner voor het plan van de andere liggen. Vanuit de oppositie wordt een coalitiepoliticus een publicatie uit Privé voor de voeten geworpen. Etc.

Het ‘benoemen’, het ‘eigen verhaal’, de vergroving: het zijn allemaal verschijnselen die in de recente politieke geschiedenis groot werden gemaakt door één man – Geert Wilders.

En de vraag die Den Haag zich zou mogen stellen is: waarom blijven politici het eigen gezagsverlies stimuleren door steeds meer van zijn stijl te imiteren?

Je zou het gezien de toon deze week niet zeggen, maar het kabinet presenteerde dinsdag een begroting met overwegend goed nieuws.

Vergelijk dat maar eens met vijf jaar geleden. Toen: sober en voorzichtig. Nu: optimistisch en uitbundig.

Maar goed nieuws is geen nieuws, dus vanzelf verplaatste de discussie zich naar bekende controverses. Tot genoegen van de oppositie houdt Rutte vast aan de dividendmaatregel, en sommigen zien een gelijkenis met de poll tax – de gehate belasting die de politieke dood van de Britse premier Thatcher inluidde.

Zelf frappeerde me het meest aan de Miljoenennota dat we nog steeds viermaal zo veel uitgeven aan uitkeringen en zorg (samen 160 miljard euro) als aan onderwijs (40 miljard).

Die verhouding bestaat globaal al vele jaren, en tekenend is dat wel: onze collectieve uitgaven zijn er eerder voor behoud en bescherming dan voor kansen en vooruitgang.

En: al het ‘benoemen’ van problemen en alle ‘eigen verhalen’ van partijen hebben daar dus niets aan veranderd.

We leven in een tijd van versimpeling. Nuance, ambiguïteit en tegenspraak verdwijnen uit het openbare leven: de Duitse arabist Thomas Bauer noemt het in een recent essay van Die Vereindeutigung der Welt. De versimpeling van alles.

Je ziet het ook in Den Haag: elke partij wil een herkenbaar merk zijn, daarom mijden ze onderlinge verscheidenheid, daarom krimpt hun tolerantie voor tegengeluid.

Het is exact het succes van Wilders’ stijl. Alleen van jezelf uitgaan, versimpelen, verharden, en dan tamboereren op het eigen verhaal.

Voortdurend fouten benoemen, maar alleen andermans fouten. Grenzen stellen, voor anderen. Grenzen sluiten, ook voor anderen. Blindheid voor het feit dat de benoemden kunnen terugpraten.

Vervolgd worden voor discriminatie en zeggen: de aanklagers zijn eigenlijk terroristen. Veroordeeld worden en daarna doen alsof het niet is gebeurd (en het bijzondere is: de andere partijen volgen hem zelfs hierin).

Het laatste is de beste illustratie van wat we nu al vijftien jaar zien, ook bij de inhoud van het immigratiedebat: vrijwel alle politici zijn op zijn podium gaan spelen.

Zodoende gaan de grenzen steeds verder dicht, maar waagt niemand het grenzen aan hem te stellen – zelfs deze week niet, toen hij artikel 58 van het Reglement van Orde (geen beledigingen) enkele malen moedwillig overtrad.

Zijn stijl, zijn ‘benoemen’, zijn simplificaties, zijn ‘eigen verhaal’ – het is het format waarmee ook de meeste andere partijen nu werken.

Iedereen bedrijft voortaan minipolitiek: eigen achterban eerst. Partijen zijn zo bang die achterban te verliezen dat ze met andere politici amper nog tot zaken kunnen komen. Of, als dat toch lukt, zoals laatst zeven partijen met de Klimaatwet, vooral verdonkeremanen dat ze zaken met anderen deden.

Zelfs voor de coalitie geldt nu hetzelfde. De formatie was niet voor niets zo’n langgerekt ritueel. De vier partijleiders wilden niet eens naast elkaar op de foto bij de presentatie van het regeerakkoord.

En wat je al maanden op deelonderwerpen zag, kwam deze week in beeld bij de Algemene Politieke Beschouwingen: de coalitiepartijen willen amper nog gezamenlijkheid uitstralen. Dan liever ruzie.

En het pijnlijke is: de gretigheid waarmee ze elkaar vloeren, is in essentie dezelfde gretigheid waarmee Wilders al vijftien jaar zijn opponenten vloert.

Maar het effect is niet alleen dat partijen hun merk beter beschermen: het effect is ook dat zo’n coalitie geen enkel gevoel van gezamenlijkheid presenteert.

Het is gedrag dat school maakt. Er lag deze week geen pensioenakkoord, en een voorname reden daarvoor is dat vooral vakbonden beducht zijn voor hun achterban. Laatst had je een klimaathoogleraar die in de Volkskrant zei: dat gepolder voor een klimaatakkoord moet eens afgelopen zijn.

Van de coalitie kun je nog zeggen: hun ruzies zijn vooral optisch. Maar het effect op de rest van het bestuur is groter dan het lijkt: elke grootsheid, elk verlangen om meer te zijn dan een vertegenwoordiger van het eigen standpunt, is aan het verdwijnen.

Het is Nederland consensusland in zijn nadagen. En je vraagt je wel af: wie heeft hier, anders dan die merkvaste partijen, verder baat bij?

Je kunt natuurlijk zeggen: het is de schuld van Rutte II. Dat was, achteraf, het meest radicale antwoord op Wilders en de minipolitiek. Twee partijen die ondanks grote verschillen de gezamenlijkheid verkozen boven de eigen identiteit.

De rest is bekend. Samsom sneuvelde, de PvdA kreeg een historische klap, dus de anderen denken nu: dat doen wij niet nog eens.

Maar ik dacht deze week: en toch was het land onder die coalitie beter af. Dan heb ik het niet over het beleid, de politieke kleur, of de ministers.

Ik heb het over hun houding: politici die groter durfden te zijn dan alleen hun partij. Politici met hart voor het land.

Want die dingen worden vergeten, maar Rutte II wilde de volle termijn uitzitten door de deplorabele prestaties van de politiek daarvóór: vijf kabinetten in tien jaar.

En wat we deze week zagen was dat alle coalitiepartijen terugkeer naar die Italiaanse toestanden een minder ernstig schrikbeeld vinden dan hun eigen neergang.

Maar dát eigen verhaal – dat vertelt even niemand.

    • Tom-Jan Meeus