‘We liggen op uitsterfkoers, maar niemand heeft het erover’

Krimp in West-Europa Het lage geboortecijfer was wel het laatste waar politici zich druk over maakten – afgezien van radicaal rechts. Demografen vinden het hoog tijd dat dat verandert.

iStock

‘Nieuwkomers maken we zelf’ is de slogan van het Vlaams Belang voor de Antwerpse gemeenteraadsverkiezingen in oktober. De partij is bang dat autochtone Vlamingen in de minderheid raken en roept hen op meer kinderen te krijgen. De Duitse radicaal-rechtse partij AfD doet in het verkiezingsprogramma gezinsvriendelijke voorstellen om te voorkomen dat het „Duitse staatsvolk” verder krimpt.

Drie jaar geleden kende Europa voor het eerst in de moderne geschiedenis een negatieve natuurlijke bevolkingsgroei. Sindsdien is het aantal sterfgevallen de geboortes blijven overtreffen. Maar de verschillen tussen landen, en vooral tussen Oost en West, zijn groot. Veel Oost-Europese landen kampen met een dramatische krimp. Het effect van lage geboortecijfers wordt er versterkt door het vertrek van jonge inwoners die in West-Europa een toekomst zoeken. In West-Europa begon de ‘autochtone krimp’ in sommige landen al decennia geleden – in Duitsland al in de jaren zeventig. Alleen immigratie zorgt nog voor netto groei.

In Nederland zou de krimp zonder immigratie rond 2030 kunnen toeslaan. Uit de hoek van politieke partijen als PVV en Forum voor Democratie (FvD) klinkt regelmatig de vrees voor ‘omvolking’: de autochtone Nederlander zou ‘vervangen’ worden door immigranten uit het Midden-Oosten en Afrika. FvD-leider Thierry Baudet verzet zich tegen immigratie en pleit voor een „dominant blank Europa”. Toch blijft een oproep uit radicaal-rechtse hoek om meer kinderen te krijgen hier vooralsnog uit. In het vrijgevochten Nederland wordt het volgens Sarah de Lange, bijzonder hoogleraar politicologie aan de Universiteit van Amsterdam, niet snel geaccepteerd dat politici zich daarmee bemoeien. „Bovendien is Nederland zo dichtbevolkt dat pleiten voor een hoger geboortecijfer niet voor de hand ligt”, zegt De Lange. Dat de leiders van de twee radicaal-rechtse partijen in Nederland zelf geen kinderen hebben, speelt wellicht ook een rol.

Bezorgdheid over het lage geboortecijfer in Nederland wordt wel verwoord door Jan Latten, bijzonder hoogleraar sociale demografie aan de Universiteit van Amsterdam en tot recent hoofddemograaf bij het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS). Het vruchtbaarheidscijfer schommelde in Nederland lange tijd tussen de 1,7 en 1,8 kinderen per vrouw, waar 2,1 nodig is om de bevolking op peil te houden. Vorig jaar is het gedaald naar 1,6. Dat baart Latten zorgen. „Een samenleving bestaat bij de gratie van nakomelingen. Van dat feit moeten mensen zich bewust worden”, zegt hij. „We liggen op een uitsterfkoers, een krimpkoers. Tot medio deze eeuw zien we een krimp van de autochtone bevolking met een miljoen inwoners en dan zijn de kinderen van hier geboren migranten van de tweede generatie als autochtoon geteld.”

Hij stelt voor de kinderopvang collectief te betalen, net als de kosten voor het basisonderwijs. Latten: „We zien dat nu grotendeels als een privé-uitgave, terwijl nieuwe kinderen van groot belang zijn voor de samenleving. Als ouders minder geld kwijt zijn aan de opvang kan dat een positieve invloed hebben op het geboortecijfer.”

Overvolle treinen

Ondanks het lage Nederlandse geboortecijfer groeide de bevolking sinds 2000 door immigratie met bijna 1,4 miljoen mensen, tot 17.249.000 inwoners nu. Volgens CBS-prognoses bestaat 66 procent van de Nederlandse bevolking in 2060 uit autochtonen, 21 procent is dan niet-westers allochtoon en de rest westers allochtoon. Het totaal aantal inwoners zal dan – door voortgaande immigratie – gegroeid zijn tot 18,4 miljoen. Vorig jaar kwamen de meeste immigranten uit Polen (22.420), gevolgd door Syriërs (16.189).

Sociaal demograaf Jan Latten vindt immigratie een riskante manier om het lage geboortecijfer te compenseren en vergrijzing tegen te gaan. Hij vreest een toekomst waarin de maatschappij uiteenvalt in „bubbels”. Latten verwijst naar immigranten van de tweede generatie met een Turkse of Marokkaanse achtergrond van wie één op de tien met een autochtone Nederlander trouwt. „Dat cijfer is de afgelopen vijftien jaar niet veranderd.”

Er zijn volgens Latten genoeg voorbeelden van geslaagde integratie, maar het baart hem zorgen dat sommige bevolkingsgroepen een cultuur aanhouden die sterk verbonden blijft met het herkomstland. „De religiositeit onder Turkse en Marokkaanse moslims neemt toe, waarbij met name orthodoxen meer afstand nemen van de samenleving, zo blijkt uit recent SCP-onderzoek. Het valt niet uit te sluiten dat deze groepen zich op den duur verder afzonderen en zich sterker manifesteren als een zelfstandige politieke macht.”

Anderzijds constateert Latten dat autochtone Nederlanders elkaar net zo goed opzoeken in eenzijdig samengestelde wijken, wat bijdraagt aan wat hij de „ontmixing” van de samenleving noemt.

Het verbaast hem dat er tot nu toe nauwelijks debat was over de toekomstige demografische samenstelling, noch over de omvang van de bevolking. Terwijl discussies als die over Zwarte Piet het land nu al verdelen en de bevolkingsdruk resulteert in woningschaarste, overvolle treinen en ecologische druk.

Roep om dichte grenzen

Onderzoeker Joop de Beer van het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut (NIDI) nuanceert deze zorgen. Hij wijst erop dat de integratieproblemen zich vooral voordoen bij migrantengroepen die hier al lang zijn. Poolse immigranten integreren volgens hem prima en hetzelfde geldt voor veelal hoogopgeleide vluchtelingen uit Iran die in de jaren negentig naar Nederland kwamen.

Net als Latten constateert De Beer wel een gebrek aan debat over het lage geboortecijfer en het aantal arbeidsmigranten. Hij denkt dat dat komt doordat de arbeidsmarkt hen vaak goed kan gebruiken en een politieke discussie over immigratie al snel eindigt in de roep om dichte grenzen. „Als je een discussie gaat voeren over het aantal migranten dat we via selectie zouden moeten toelaten, dan denk ik dat ieder getal boven de nul al problematisch zou zijn. Daarom laat de politiek het maar een beetje over aan de markt, zoals met de Polen, en aan de internationale ontwikkelingen, zoals met de Syriërs.”

Het krijgen van meer kinderen zou de krapte op de arbeidsmarkt voorlopig niet oplossen, want de vergrijzing slaat vooral de komende decennia toe, „en dan zijn nieuwe kinderen nog niet aan het werk”, zegt De Beer. Het geboortecijfer laat zich volgens hem ook moeilijk beïnvloeden door overheidsmaatregelen. In het verleden bleek dat breder beschikbare kinderopvang er eerder toe leidde dat vrouwen langer en vaker gingen werken, dan dat zij meer kinderen kregen.

Compensatie voor de vergrijzing kan niet volledig in immigratie worden gezocht, zegt De Beer. Daarvoor zijn de aantallen immigranten die Nederland dan zou moeten toelaten veel te hoog – in de orde van grootte van tientallen miljoenen, berekenden demografen twintig jaar geleden al. Maar immigratie kan volgens De Beer de acute gevolgen van een laag geboortecijfer wel verlichten.

Dat denkt ook Latten. Maar hij zou graag zien dat de overheid nadenkt over immigratie en nog meer nadruk legt op integratie. „Los van groei of krimp, mate van immigratie of natuurlijke groei. Je zou toch denken dat de politiek een visie heeft op de demografische toekomst van het land.”

    • Wilmer Heck