Waarom smaken kliekjes naar hun plastic bakje?

Wekelijks zoekt de redactie wetenschap het antwoord op een veelgestelde vraag. Deze week: Verpakken van voedsel in glas en metaal is beter voor de geur.

Illustratie Fokke Gerritsma

Mijn moeder belde: ze had verse compote gemaakt van de honderden appels uit eigen tuin. Hoog tijd om weer eens bij mijn ouders te eten. De witlofschotel met ham en kaas smaakte prima, maar het pièce de résistance was uiteraard de appelcompote. Die werd zonder omhaal gepresenteerd in een wit plastic diepvriesbakje met blauw deksel.

„Bah”, zei ik bij de eerste hap. „Appel met plasticsmaak.” Mijn vader proefde het ook, maar at met smaak door. Mijn moeder haalde een tweede bakje tevoorschijn, zo’n rechthoekige met doorzichtige deksel van het Chinese restaurant om de hoek. De compote daaruit smaakte gewoon naar appel.

Lag het aan het verschil in plastic, of aan het verschil in temperatuur? Mijn moeder had het Chinese bakje pas volgeschept toen de compote was afgekoeld, terwijl ze het diepvriesbakje direct na de compotebereiding had gevuld. Het was trouwens niet voor het eerst – ook kliekjes die mijn ouders in bakjes bewaren krijgen regelmatig een plastic bijsmaak.

Waarom gaat eten soms smaken naar de plastic bakjes waar het in bewaard wordt? En andersom: waarom houden die bewaarbakjes vaak etensgeuren vast?

Drie kunststofsoorten worden veel voor levensmiddelenverpakkingen gebruikt, zegt Ulphard Thoden van Velzen, senior onderzoeker verpakkingstechnologie bij Wageningen Food & Biobased Research. „De eerste twee, PE en PP, nemen relatief veel geuren op. De derde, PET, veel minder. Dit heeft vooral met polymeerstructuur te maken: de krachten tussen de ketens en de resulterende bewegelijkheid. De PE-ketens trekken elkaar minder sterk aan en daar kunnen relatief gemakkelijk geurmoleculen in oplossen. Bij de PET-ketens komen de geur- en kleurmoleculen er nauwelijks tussen.”

Nieuw gemaakte kunststofverpakkingen ruiken in het algemeen niet heel sterk, zegt hij. „Maar oudere huishoudelijke bewaardoosjes van PE of PP zijn bekendere bronnen van kunststof-geur. Kunststof degradeert langzaam over de jaren en daarbij ontstaan geurende afbraakproducten.”

Goed koelen beperkt de geuroverdracht. „En inderdaad afkoelen voordat je de restjes in kunststof dozen doet.” PET neemt minder geuren op, maar is ongeschikt voor diepvriestemperaturen.

Plastic bijsmaak valt natuurlijk in het niet bij de problemen van zeevogels, die regelmatig écht plastic binnenkrijgen tijdens het foerageren. Waarom eten vogels zo vaak plastic, vroegen onderzoekers zich twee jaar geleden af in het tijdschrift Science Advances. Ze lieten plastic bolletjes (bevestigd aan boeien) op zee dobberen. Na een paar weken roken de bolletjes, gemaakt van drie soorten plastic, allemaal naar dimethylsulfide. Dat is een stof die wordt geproduceerd door bepaalde algen en die ook vrijkomt als de algen gegeten worden door krill. Veel zeevogels zijn dol op krill, en de geur van dimethylsulfide trekt vooral soorten met een sterke reukzin aan, zoals albatrossen. Die zien het geurende plastic ten onrechte aan voor een smakelijk, maar uiteindelijk soms dodelijk hapje.

En hoe zit dat met de plastic smaak van onze kliekjes? Is die gevaarlijk? Thoden van Velzen: „Hoogstwaarschijnlijk niet. Omdat mensen en politiek een potentiële vergiftiging door verpakkingen zwaarder wegen dan door uitlaatgassen, zijn de wettelijke eisen strenger en de concentratielimieten veel lager. Maar toxicologie bij mengsels van stoffen is lastig, en 100 procent zeker weet je het nooit.”

    • Gemma Venhuizen