Opinie

    • Frits Abrahams

Verstrooide loodgieter

De loodgieter was een sympathieke jongeman die zich met grote toewijding op ons lekkende aanrecht stortte. Regelmatig richtte hij het woord tot ons, gelukkig vooral tot mijn vrouw, want ik probeerde een vertrek verder een column te voltooien. Dat viel niet mee omdat ik flarden van hun gesprekken opving en steeds meer gefascineerd raakte door zijn spreektrant.

Het lag niet aan zijn zinsbouw en woordkeus, maar aan de secondenlange pauzes die hij telkens tussen de woorden inlaste. Hij zei niet: „Ik denk dat het aan de overstort ligt”, maar „Ik…denk…dat…het…aan…de…overstort…ligt”. Met stamelen of stotteren had het niets te maken, het leek eerder op een soort verstrooidheid, alsof hij steeds met zijn gedachten elders was.

Een bijkomend probleem was voor mij dat ik zelden iets begrijp van het jargon waarmee zulke vaklieden je overladen. Neem alleen al dat woord ‘overstort’. Ik kende het wel, maar had me nooit afgevraagd wat het precies betekende. Zo’n loodgieter gaat ervan uit dat je elkaar dagelijks vraagt: „Zou de overstort het nog wel goed doen?” Of in zijn ritme: „Zou…de…overstort…het…nog…wel goed…doen?”

Helaas, er zijn al die jaren heel wat woorden tussen mij en mijn vrouw gevallen, maar nooit het woord ‘overstort’. Nu was er geen ontkomen aan. Er was iets met de afvoer aan de hand en de overstort leek de grote boosdoener. De loodgieter was er uren mee bezig, af en toe dacht hij de oplossing te hebben gevonden, maar steeds moest mijn vrouw na een korte test roepen: „Het lekt toch nog!”

Het frustreerde hem hevig – en ons ook. Enkele keren repte hij zich naar zijn auto om „andere materialen” te halen, maar het lek liet zich door niets en niemand vermurwen. Eén keer bleef hij wat langer weg om buiten een sigaret te roken. Opgetogen kwam hij terug, alsof alle zorgen van hem waren afgevallen.

„Er…stond…beneden…een…leuk…meisje”, zei hij, „ze…rookte…ook”. „Er wonen hierboven studentes”, zei mijn vrouw. „Ze…lachte…naar…mij”, glunderde hij.

Het viel hem niet gemakkelijk om naar de aardse realiteit terug te keren. Zuchtend dook hij weer onder het aanrecht vanwaar hij na een half uurtje ploeteren uitriep: „Nu…moet…het...gefikst…zijn.” Daarna maakte hij zich snel uit de voeten – sneller dan zijn zinnen.

Ik was niet verbaasd toen mijn vrouw even later ontmoedigd moest vaststellen dat het nog steeds lekte. Het loodgietersbedrijf beloofde ons telefonisch dat ze hun man de volgende dag naar ons zouden terugsturen, maar er kwam niemand opdagen. Weer gebeld. Grote verbazing bij het bedrijf: „Hij vertelde ons dat hij had aangebeld, maar dat niemand opendeed.” Dat kon niet waar zijn, want we hadden de hele dag op hem gewacht.

Opeens zag ik hem voor me, die aardige, aarzelend pratende loodgieter – eigenlijk nog een jongen. Hij had gedaan wat hij kon, hij wist niet wat hij nog meer kon doen. Hij keek omhoog langs onze gevel. Daarachter wachtte grijnzend dat verdomde, onoverwinnelijke lek. Hij moest nu aanbellen, maar hij kon het zichzelf niet aandoen. Er was maar één oplossing. Hij moest hier weg. Hij zei het ook hardop tegen zichzelf: „Ik…moet…hier…weg.”

We hebben hem niet meer gezien, wel een collega, die het in een uurtje écht gefikst had.

    • Frits Abrahams