Twistgesprek: Mag een vreemdelingenstatus van invloed zijn op de strafhoogte?

In een rechtszaak kreeg een Afghaanse verkrachter een lagere straf omdat hij anders misschien zou worden uitgezet. Terecht? Nee, zegt Ja, zegt . Een twistgesprek per e-mail onder leiding van

In een tassenwinkel waar hij werkte, verkrachtte een 36-jarige Afghaanse man in 2016 een vrouw van 18. De rechtbank legde hem twintig maanden celstraf op, vier maanden minder dan geëist. Daarbij hielden de rechters onder meer rekening met het feit dat de dader met een verblijfsvergunning in Nederland verblijft. In het vonnis staat dat „het niet de bedoeling is dat aan verdachte een zodanige straf wordt opgelegd dat deze verregaande vreemdelingrechtelijke consequenties heeft”. Die consequenties kunnen eruit bestaan dat de immigratie- en naturalisatiedienst (IND) de man uitzet. De IND maakt een individuele afweging. Kamerleden (VVD) stelden vragen aan de minister omdat zijn daad wat hen betreft juist niet zonder consequenties voor het verblijf zou mogen zijn.

Advocaten Richard Korver en Juriaan de Vries discussiëren over deze stelling: ‘Het hebben van een verblijfsvergunning mag niet leiden tot een lagere straf’. Richard Korver is RK, Juriaan de Vries is JdV.

RK: „Amice, naar aanleiding van wat de zaak van de asielverkrachter is gaan heten poneer ik de stelling dat vreemdelingenrechtelijke consequenties de strafrechter niet(s) aangaan, dat is namelijk het terrein van de vreemdelingenrechter, die heeft daar verstand van. Het verbetert bovendien de voorspelbaarheid van het recht en verhoogt de acceptatie van de rechtsstaat.”

JdV: „Ik zie dat toch anders. Vooropgesteld: persoonlijke omstandigheden dienen wettelijk te worden meegewogen. Verlies van verblijfsstatus is net als bijvoorbeeld het verlies van een baan of huis een persoonlijke omstandigheid die kan meewegen bij de strafoplegging, afhankelijk van de omstandigheden van het geval. Zorgvuldigheid door maatwerk zou toch het uitgangspunt moeten zijn?”

RK: „Juist door vreemdelingenrechtelijke oordelen aan de bestuursrechter en niet aan de strafrechter over te laten wordt die zorgvuldigheid gecreëerd. Er is immers geen standaard uitzetbeleid. Per zaak wordt door IND en indien nodig door de rechter beoordeeld of iemand terug zou moeten en vervolgens of dat ook veilig zou kunnen.”

JdV: „Weerspreekt u de stelling eigenlijk in iedere zaak of alleen in deze ‘asielverkrachterszaak’?”

RK: „Ik spreek nu met u over deze zaak.”

JdV: „Goed, het gaat ons dus beiden om maatwerk. Zo ook de strafrechter, die niet van stoel wisselde met de bestuursrechter, maar rekening hield met eventuele verstrekkende gevolgen. Dat maakt strafoplegging zorgvuldig, al hoeft niet iedereen het met de straf eens te zijn.”

RK: „Dat is geen maatwerk maar taakverwarring. De strafrechter gaat er kennelijk vanuit dat er bepaalde vreemdelingrechtelijke consequenties zullen volgen en lijkt daarbij te betrekken dat verdachte net een gezin aan het opbouwen is. Zijn vrouw is zwanger. Zijn vrouw en kinderen staan echter niet terecht.”

JdV: „Het is bij uitstek de taak van iedere strafrechter om ook rekening te houden met gevolgen voor de verdachte en zijn familie. Niets voor niets spelen de drie W’s (woning, werk, wederhelft) vaak een belangrijke rol. Komt bij dat de strafrechter een andere taak én functie heeft dan een bestuursrechter. Dat u het in deze zaak niet eens bent met de afwegingen van de rechter, maakt het nog geen principiële kwestie.”

Lees ook: Twistgesprek over houtkachels en open haarden

RK: „Amice, het is fijn dat de rechtbank open en eerlijk heeft gemotiveerd hoe zij tot de gekozen straf kwam. Hulde daarvoor! Daardoor is de discussie principieel. Vrouw en (ongeboren) kind(eren) staan in de strafzaak niet terecht. Deze verdachte heeft mijn cliënte wat aangedaan en behoort daarvoor te worden gestraft. Zijn vreemdelingenrechtelijke status had geen invloed op zijn daad en hoort die ook niet te hebben op zijn straf.”

JdV: „Ik vrees dat we elkaar hier niet gaan vinden; we vallen bovendien wat in herhaling. Iets anders: is het niet (ook) bij uitstek de taak van de strafrechter om binnen de wettelijke kaders die hem zijn gegeven zich niet te laten leiden door politieke wensen en maatschappelijke beroering? Vinden we elkaar dan op dit punt?”

RK: „Door die onduidelijkheid over wat nu wel of niet moet worden meegewogen ontstaan tegenstrijdige vonnissen. Zo weigerde de rechtbank Alkmaar de vreemdelingrechtelijke status in een zaak mee te wegen terwijl de Amsterdamse rechtbank dat heel expliciet wel deed. Dat is niet wenselijk want recht moet voorspelbaar zijn. Daar vinden wij elkaar zeker!”

Een vraag voor Richard Korver: advocaten, ook u, vragen geregeld strafverlaging wegens persoonlijke omstandigheden van een cliënt. Wat maakt dat u deze omstandigheid uitzondert?

RK: „De vreemdelingenrechtelijke status is echt een andere dan het hebben van een baan, rijbewijs, auto, woning of gezin. Een strafrechter kan helemaal niet beoordelen of iemand wordt teruggestuurd. Dat hangt af van het land, de persoon en de persoonlijke omstandigheden. Juist omdat er politiek bij komt kijken moet dat door de bestuursrechter worden beoordeeld.”

JdV: „Dat doet én deed de strafrechter in dit individuele geval dan ook niet. Voor het overige ook oneens: er is op dit punt – verlies van verblijfsstatus als persoonlijke omstandigheid – geen verschil tussen het verlies van gezin, inkomen of woning. Juist vanwege het persoonlijke van deze aspecten ligt het in de rede dat een rechtbank hier in een specifiek geval oog voor kan hebben.”

Een vraag aan Juriaan de Vries: Begrijpt u de ophef? Een Afghaanse vluchteling krijgt asiel, misdraagt zich en dan helpt de rechter voorkomen dat hij wordt uitgezet. Getuigt dat niet van wereldvreemdheid?

JdV: „De rechtbank heeft geen uitzetting voorkomen; die vraag was namelijk niet aan de orde. Binnen wettelijke kaders heeft de rechtbank een straf bepaald, en daarbij gelukkig oog gehad voor de belangen die er voor deze verdachte speelden. Afgezet tegen andere zaken zie ik eerder een storm in een glas water, dan dat ik me de ophef kan voorstellen.”

    • Merel Thie