Opinie

    • Luuk van Middelaar

Politieke beschaving is een werkwoord

De Tweede Kamer, deze week aan het werk: spreken, interrumperen, reglementair plannen lanceren – en dan de stemmen tellen. Motie aangenomen, motie verworpen. De aanvaarding van de uitkomst is geen natuurgegeven. Steeds sneller en schriller klinkt de verongelijktheid van de overstemden.

Mensen hebben geen aangeboren neiging zich bij de wil van een meerderheid neer te leggen. Niet in een parlement, noch in voetbalclub, aandeelhoudersvergadering of schoolcomité. Democratie is een gewoonte, gebaat bij oefening. Respect voor procedures, openheid voor tegenspraak, de morele kracht van ‘one man, one vote’ – het is aangeleerd. De Franse aristocraat Alexis de Tocqueville beschreef het na een rondreis door individualistisch Amerika in 1835 als eerste. De democratie is méér dan een besluitvormingsmachine, ze is een samenlevingsvorm, rustend op gelijkheid. Een manier van leven die mentaliteit, familieverbanden, economie en ten slotte ook de grondwet doortrekt.

Sinds Trump verschijnt het ene na het boek over ‘het einde van de democratie’. De meeste nog net mét vraagteken. De democratie verliest haar primaire over tuigingskracht, ook in Europa. In het oktobernummer van The Atlantic stelt Yoni Appelbaum dat de rot in het Amerikaanse stelsel dieper zit dan de verkiezing van Trump. De oorzaak van het democratisch verval ziet hij – Tocqueville indachtig – in de dramatische terugloop van het verenigingsleven. Met „catastrofale gevolgen”. Procedures van vergaderen en stemmen in alledaagse organisaties zijn steeds meer Amerikanen vreemd geworden, en tegelijk nam het vertrouwen in de democratie af.

Ooit waren de Amerikanen wereldkampioen clubjes runnen. Burgers verenigden zich „om een feest te geven, een herberg te bouwen, boeken uit te geven, een ziekenhuis, school of gevangenis te stichten”, aldus een verbaasde Tocqueville. Van een handboek uit 1876 voor reglementen-van-orde voor verenigingen werd een half miljoen exemplaren verkocht; een krant noemde het „net zo onmisbaar als in kerkelijker tijden de catechismus”.

Zo werd democratie een burgerlijke religie en leerden mensen zichzelf te regeren, voor uiteenlopende doelen. Iedereen deed mee. In 1892 rapporteerde een rector over een stadje dat „elke man, vrouw en kind boven de tien jaar er een of ander ambt bekleedde, afgezien van een paar slappelingen”. Allemaal voorzitter, secretaris of penningmeester, vergaderend en stemmend. Dát was een participatiesamenleving.

Natuurlijk, deelname aan het verenigingsleven loopt al decennia scherp terug. Optimisten stellen dat vrijwilligerswerk en kerkgang bloeien, terwijl sociale media contacten verruimen. Maar dat is iets anders, zegt Appelbaum: de buurvrouw helpen of chatten op Facebook biedt geen oefening in democratie, in argumenteren en besluiten. Dat verlies wreekt zich.

Maar waaróm lopen de verenigingen leeg? Hun opkomst verklaarde Tocqueville in 1835 uit de maatschappelijke gelijkheid. Wie trekt een idee op gang? In Frankrijk: de regering; in Engeland: een of andere hoge heer. In het jonge Amerika daarentegen was geen enkeling alléén machtig genoeg en moesten burgers wel samen optrekken om iets tot stand te brengen. Maatschappelijke gelijkheid, als ervaring of belofte, stutte de democratie. Argwaan jegens een nieuwe ‘aristocratie’ – van industriëlen of financiers bijvoorbeeld – doorbrak in de VS keer op keer monopolies. Ook hier hapert het sinds 1980. Zelfs The Economist, Brits liberaal baken sinds 1843, erkent dat westerse democratische instituties lijden onder economische ongelijkheid. Ook dat zegt ons de Trump Tower: kasteel van de vorst, middelvinger tegen de democratie.

Luuk van Middelaar is politiek filosoof, historicus en hoogleraar Europees recht (Leiden). Zijn column is wekelijks.

    • Luuk van Middelaar