Over de bijlesgeneratie en diploma-inflatie

Hooggeschoolden

Hoger onderwijs is een dure manier om werkzoekenden voor te selecteren. Schaf daarom subsidies aan het hoger onderwijs af, vindt een Amerikaanse econoom.

Eerstejaars studenten aan de EUR, augustus 2018. Foto Jerry Lampen/ANP

Nederlanders gaan langer naar school en halen meer diploma’s. Toch neemt de ongelijkheid in het onderwijs toe. Ondanks alle scholing wordt overal in de wereld de kloof tussen hoog- en laagopgeleid dieper. Iedereen moet steeds meer diploma’s halen om werk te krijgen.

Wereldwijd wordt de universiteit dan ook steeds populairder. Er is zelfs een internationale markt ontstaan voor studenten die over de wereld het goede onderwijs zoeken, met haalbare toelatingsnormen en tegen een redelijke prijs. Deze groei leidt tot overspannen universiteiten die voor ongeveer hetzelfde budget steeds meer studenten moeten bedienen.

Zowel de Amsterdamse universitair docent Louise Elffers als de libertarische Amerikaanse hoogleraar economie Bryan Caplan gebruiken in hun boeken het beeld van toeschouwers: als sommigen gaan staan, dan moeten de anderen dat ook om te kunnen blijven zien.

Van een zesjescultuur is geen sprake meer. Er ontstaat diploma-inflatie: voor hetzelfde soort werk zijn steeds meer kwalificaties nodig. De boekhouder wordt vervangen door een financieel econoom, de woordvoerder van een bedrijf moet minstens een masters hebben om te communiceren. In veel gevallen is dat niet nodig.

Voor een individu is het gunstig om te gaan staan en zo hoog mogelijk te mikken. Volgens alle statistieken is er een rechtstreekse correlatie tussen het niveau van de opleiding, de kans op een baan, de hoogte van het inkomen, de levensverwachting tot en met de hoeveelheid groente op het menu. Maar schiet de samenleving daarmee op?

Een bachelor of master is volgens Caplan slechts een bewijs voor de werkgever dat de sollicitant met goed gevolg een test heeft afgelegd in intellectuele capaciteit en uithoudingsvermogen die ook op het werk van pas komen. Het behalen van een om het even welk diploma bepaalt voor tachtig procent het nut van hoger onderwijs volgens de statistische bewerkingen van Caplan, die veel ruimte innemen in The Case Against Education. Why the Education System is a Waste of Time and Money. De kandidaat had de kwalificaties voor het vak van, bijvoorbeeld, ambtelijk referendaris al voordat deze aan het hoger onderwijs begon. Hoger onderwijs is dan niets meer dan een dure, tijdrovende manier om sollicitanten voor te selecteren. Dit staat tegenover de gebruikelijke theorie dat onderwijs ‘menselijk kapitaal’ vergroot dat op het werk kan worden ingezet.

Economie

De kennis van het genoten onderwijs is vaak niet direct toepasbaar in het werk dat afgestudeerden krijgen. Bovendien verdwijnt de kennis als die niet wordt gebruikt. En als hooggeschoolden werk krijgen dat aansluit op hun studie, dan valt de praktische waarde ervan vaak tegen, zo betoogt Caplan. Onderzoekers van het MIT en Johns Hopkins ontdekten dat honor studenten in natuurkundevakken vaak geen eenvoudige problemen op konden lossen als die maar enigszins afweken van wat er op college was onderwezen en getoetst.

Caplans relativering van hoger onderwijs roept de vraag op of een steeds groter percentage hoger opgeleid moet zijn. Duitsland bewijst dat een land prima floreert met minder academisch en meer toepasbaar onderwijs. Niet ‘lager’ maar praktisch. Kan het geld niet beter worden besteed aan bijscholing tijdens het werk? Caplan wil als libertariër het onderwijs minder subsidiëren. Dan komt het vanzelf goed, vindt hij.

Caplan heeft een beperkte, economische visie op onderwijs. Maar onderwijs is ook goed voor socialisatie en persoonlijke vorming, zo schreef de onderwijsfilosoof Gert Biesta eens. Een vak als geschiedenis levert misschien geen bedrijfswinst op maar bepaalt wel de cultuur van een samenleving waarin bedrijven winst kunnen maken. Ook kijkt Caplan als Amerikaan wel erg neer op het leren van een vreemde taal.

Bijles

Louise Elffers schrijft in haar vlotte en goed gedocumenteerde essay De bijlesgeneratie. Opkomst van de onderwijscompetitie dat hoogopgeleide ouders er veel voor over hebben om hun kind het zelfde opleidingsniveau te gunnen. Ze sturen hun kinderen massaal op bijles als het even niet mee zit. Bijles is ook handig als de ouders druk bezet zijn. Die hoeven dan in hun beperkte tijd samen met de kinderen niet meer achter het huiswerk aan te zitten. Die taak is met succes uitbesteed.

Lager opgeleide ouders kunnen zich die bijles vaak niet veroorloven. Dat is een van de oorzaken dat hun kinderen minder in de kopgroep zijn te vinden. Ook de vroege voorselectie in groep acht, gecombineerd met steeds minder doorstroommogelijkheden in het middelbare onderwijs zetten die kinderen op achterstand. Onderwijs reproduceert dan als vanouds weer de standenmaatschappij.

De meest voor de hand liggende oplossing die Elffers geeft, is om kinderen minder vroeg te selecteren en de doorstroming te verbeteren. Dat kan door het herstel van scholengemeenschappen met verschillende types onderwijs. Nu prikkelt het waarderingssysteem van de overheid en de Inspectie van het Onderwijs scholen om andere types onderwijs af te stoten. Categorale mavo’s, gymnasia of vwo’s zonder havo zijn populair onder ouders.

Aan de onderwijscompetitie en de druk van de ouders valt moeilijker te sleutelen. Ook als de school de prestatiedruk wil verminderen, kunnen hoogopgeleide ouders via buitenpaadjes met extra bijles hun kinderen een voorsprong geven en de gemiddelde eisen bij toetsen verhogen.

Andere oplossingen, die Elffers geeft – bijles voor iedereen en meer individueel maatwerk – zijn duur. De vraag is of de overheid het wil betalen. De onderwijscompetitie groeit ook in landen met latere selectie en betere doorstroommogelijkheden dan Nederland. De toeschouwers gaan niet gauw weer op hun stoelen zitten.

    • Maarten Huygen