Recensie

De ontrafeling van een visioen

Keizer Constantijn

In een nauwgezette analyse van het christelijke visioen van de Romeinse keizer Constantijn gaan twee Nederlandse historici na wat er precies waar van is.

De Romeinse keizer Constantijn (280-337) Getty Images

Het is een van de bekendste verhalen uit de late oudheid, het verhaal van de bekering van keizer Constantijn (280-337). Vlak voordat hij in 312 zijn tegenstander Maxentius beslissend versloeg had Constantijn een visioen waarin hij een lichtend kruis zag. Constantijn zag hierin het bewijs dat hij de god van de christenen aan zijn zijde had. Na zijn overwinning beëindigde hij de christenvervolgingen en bekeerde zich tot het christendom.

Voor het eerst duikt dit verhaal op in de biografie van keizer Constantijn die zijn raadsman Eusebius van Cesarea (263-339) tegen het einde van diens leven schreef. Voor Eusebius, die als bisschop van Cesarea een belangrijke rol speelde in het jonge christendom, was het visioen bepalend voor de ontwikkeling van het christendom. En eeuwenlang is dat ook de heersende theorie gebleven.

Recent filologisch en historisch onderzoek laat echter zien dat belangrijke delen van dit verhaal niet stroken met de historische feiten. Zo betwijfelen historici of het visioen een christelijke inhoud had en of het visioen überhaupt wel heeft plaatsgevonden. Genoeg redenen voor de oud-historicus Jona Lendering en de classicus Vincent Hunink om dit verhaal van het visioen van Constantijn eens grondig te onderzoeken. In hun boek Het visioen van Constantijn stellen Lendering en Hunink twee vragen centraal: hoe zat het nu met dat visioen en: is het eigenlijk wel mogelijk om precies te bepalen wat er is gebeurd?

Kleinste detail

Om tot een antwoord te komen ontrafelen zij het verhaal tot op het kleinste detail. Zo schetsen zij heel precies de religieuze en politieke context waarin de gebeurtenissen zich afspeelden. Ook de persoonlijke ambities van Constantijn worden uitgebreid beschreven.

Ze komen tot de conclusie dat Constantijn een visioen had. Ook de slag op de Milvische brug, waaraan sommige historici twijfelen, heeft echt plaatsgevonden. Maar zeker niet waar is dat de gebeurtenissen zich afspeelden in een periode waarin de christenen bloot stonden aan zware vervolgingen. Lendering en Hunink laten zien dat van christenvervolgingen ten tijde van het visioen, al enige tijd geen sprake meer was. Dat Constantijn zich na zijn overwinning in 312 meteen tot het christendom bekeerde, is volgens hen op zijn allerzachtst gezegd twijfelachtig. De (vele) indirecte bewijzen wijzen meer op een bekering in een later stadium.

De belangrijkste conclusie is dat Constantijns visioen geen christelijke, maar eerder een ‘heidense’ achtergrond had. En passant laten ze ook zien dat het visioen niet plaatsvond in 312 maar een aantal jaren eerder. Als bewijs voor deze stelling halen de auteurs een passage aan uit een lofrede voor Constantijn die werd geschreven en vrijwel zeker ook zo is uitgesproken in het jaar 310 in de stad Trier. Aanleiding vormde de quinquenalia (belangrijke Romeinse feestdagen die eens in de vijf jaar werden gevierd). Bij de viering van 310 was Constantijn zelf in Trier aanwezig.

‘U was afgebogen naar de mooiste tempel op aarde, of nee: naar de reëel aanwezige Godheid, zoals U hebt gezien. Want ja, U hebt gezien, geloof ik, hooggeachte Constantijn, hoe Apollo onder begeleiding van Victoria U lauwerkransen presenteerde, stuk voor stuk goed als voorteken van dertig jaren.’

De vraag die Lendering en Hunink zich vervolgens stellen is: hoe komt het dat dit visioen, waarvan iedereen in 310 overtuigd was dat deze over Apollo ging, enkele decennia later met evenveel overtuiging aan de christelijke god wordt toegeschreven. Het lijkt er volgens hen op dat Constantijn, die gedurende zijn regeringsperiode steeds vaker en steeds indringender met christenen te maken kreeg, zelf heeft bijgedragen aan de veranderingen die het visioen in de loop van zijn leven heeft ondergaan. Het is aannemelijk dat Constantijn zelf zich op een gegeven moment gaat afvragen of het visioen van zo veel jaar geleden niet misschien toch afkomstig kon zijn geweest van die ene christelijke god. Anders geformuleerd: ‘Zijn visioen had geen christelijke lading, maar in zijn herinnering kreeg het die. En daarmee kantelt ook het bekende beeld dat Constantijn het christendom veranderde (of zelfs van de grond trok) in een beeld waarin het christendom Constantijn veranderde.’

De auteurs leveren met dit boek een mooie prestatie. Door hun heel nauwgezette analyse worden niet alleen de waarheid en mythe van elkaar gescheiden; ze maken ook glashelder dat er desondanks altijd dingen onzeker blijven. Of zoals zij het zelf formuleren: ‘Natuurlijk zou het aardig zijn als onze reconstructie helemaal juist is [...] . En misschien is het inderdaad wel zo gegaan. Maar helemaal zeker weten doen we het nooit.’

    • Joost Vermeulen