Vrij zijn is...zingen in een shantykoor

Vrij Astrid van Rooij en fotograaf laten zien hoe we uit de sleur breken.

‘HEDEN 16.00 SPETTEREND HET RUIME SOP OPTREDEN OP DE BRINKLAAN BIJ DE WIBRA.” De Brinklaan van Bussum hangt vol met A4’tjes, vooral rond de Wibra. „Hier is het.” Wallerand le Grand (70), met blauwwit streepjesshirt en rood sjaaltje, baant zich een weg door de menigte. „Het podium.” Le Grand wijst naar een met hooi bedekte kar in het midden van de straat waar een streetdancegezelschap de heupen schudt. Hij zwaait naar het groepje mannen voor de budgetwinkel, allemaal met streepjesshirt en sjaal, waarmee Le Grand, „geen artiestennaam”, zo optreedt tijdens het lokale cultuurfestival.

Le Grand is bariton en voorzitter van Het Ruime Sop, één van de 400 shantykoren in Nederland. Landelijk zijn er 15.000 zangers die shanty’s, zeemansliederen, vertolken. En allemaal man, „vrouwen aan boord brengen ongeluk”. Om vier uur klimt Het Ruime Sop met dertig man het podium op, hier en daar wordt een kontje gegeven. Het shantykoor moet groter „en vooral jonger”. Het jongste lid is 52. De oudste, de 88-jarige Wim Hageman, zingt zittend op zijn rollator de solo Ketelbinkie. „En dat na drie beroertes”, zegt Le Grand. Vijf vrouwen lopen de polonaise tussen het fietsenrek en de bakker.

Hendrikse slaat op zijn borst: „Wij zijn een vrij koor.” „Extravert.” „Losbandig ook.”

Sinds twee weken is shanty „beschermd”. De traditionele zeemansliederen staan op de Inventaris Immaterieel Cultureel Erfgoed Nederland. „Terecht”, vindt tenor en oprichter Rob Hendrikse (die liever niet met leeftijd, maar als „jeugdig” wordt aangemerkt). „Met shanty kunnen wij op luchtige wijze over de maritieme geschiedenis vertellen.” Shanty ontstond in de zestiende en zeventiende eeuw aan boord van zeilschepen. De liedjes bepaalden het werkritme van de bemanning. „Op het ritme van Hé, hó, alle hens aan dek kun je goed de zeilen hijsen”, vertelt Le Grand. De shanty’s gaan over het zware leven op zee, het gemis van het thuisfront en „natuurlijk de liefde”. Het Ruime Sop zingt naast de „orthodoxe liederen” ook de populairdere varianten. „Die niet op zee maar in de kroeg ontstonden”, vertelt Hendrikse. Sommige liedjes zijn wat schunnig. „Pique la baleine, ‘steek de walvis’, bijvoorbeeld. Over een harpoenier die op walvissen jaagt, of op zijn liefje.” Maar, „ook een goede aanleiding om over de walvisvaart te praten”, vindt Le Grand.

Hendrikse slaat op zijn borst: „Wij zijn een vrij koor.” „Extravert.” „Losbandig ook.” De mannen glunderen. „We zijn zo leuk met elkaar.” „En alles door elkaar.” „Van tegelzetter tot brandweerman”, zegt Hendrikse. Vroeger runde hij een slagerij. „Ik werd de zingende slager genoemd.” „En van ceo tot professor”, vult Le Grand aan. Hij is voormalig huisarts, maar trekt nu kokskleding aan. Zwaaiend met een pollepel zal Le Grand Ich bin der allerbeste Koch zingen. „Niet waar natuurlijk, het eten aan boord was verschrikkelijk.”

    • Peter de Krom
    • Astrid van Rooij