Opinie

    • Ellen Deckwitz

Stiekem gedanst

Sinds gisteren kun je eindelijk ruiken dat het herfst wordt: die heerlijke geur van rot komt je al tegemoet zodra je je voordeur open schopt. Mijn zus en ik stonden te stuiteren: we zijn er dol op om ’s avonds door de straten te dwalen en hoe slechter het weer, hoe minder mensen je tegenkomt. Zodra de temperatuur daalt is de stad van ons.

Die avond gingen we op pad. We kwamen niemand tegen zodat we konden kletsen zonder rekening te hoeven houden met derden. Het is geweldig om buiten de beschutting van je huis hardop te praten over dingen die ertoe doen. Alsof wat je bespreekt, dan ook pas in de grote wereld kan en mag bestaan. En zo begon mijn zus over haar oudste zoon (12) die de laatste tijd weer erg somber is en over wie ze zich zorgen maakt.

„Hij lijkt zo eenzaam”, zei ze verdrietig, „en ik kan niets doen. Ik wou dat ik hem kon troosten”.

Na een kleine achtduizend stappen en honderdmaal zoveel woorden liepen we haar achtertuin weer in. Terwijl ik struikelde over een van haar caviazerkjes gebaarde mijn zus plots dat ik stil moest zijn. We zagen haar oudste bezig in de keuken. Het schuifraam stond open en er kwam een heerlijke lucht naar buiten.

‘Appeltaart”, fluisterden we in koor. Haar zoons zijn fantastische koks, wat te verwachten viel omdat hun moeder in de keuken het equivalent is van de atoombom op Nagasaki. Mijn neefje, die vandaag van sipte en stemmingswisselingen aan elkaar hing, was druk bezig slagroom te kloppen. Hij had kaarsjes aangedaan en Marco Borsato opgezet (we vermoedden al een tijdje dat hij fan was maar hij bleef ontkennen). Toen begon de intro van ‘Binnen’ en gebeurde het: hij pakte een pollepel, begon mee te zingen en te bewegen, inclusief rondjes om zijn as, gesloten ogen en luchtgitaarsolo’s. Bij ‘Ik leef niet meer voor jou’ ging het dak eraf. Hij zong de tekst foutloos mee, acteerde alle bijbehorende emoties en gaf kushandjes aan een publiek dat zich getuige de blaasrichting in de keukenkastjes bevond. We hadden hem in tijden niet zo vrolijk gezien.

„Hij is zo blij”, zei mijn zus, „en dat zonder mijn toedoen!” Op haar gezicht brak een glimlach van oor tot oor door. Zacht giechelden we bij die ene uithaal van ‘Dromen zijn bedrog’. Mijn neefje zweefde door de keuken, nam onzichtbaar applaus in ontvangst. Hij was alleen, en gelukkig. Mijn zus en ik stonden ontroerd in het donker.

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz