Niet drinken, niet roken en wel hardlopen - dit was verraad!

Hardlopen Schrijver Erik Jan Harmens stopte met drinken en roken en ging hardlopen. Iets in hem blijft zich verzetten tegen gezond leven. „Ik voel me disloyaal aan mijn vader.”

illustratie Astrid van Rooij

Mijn grootste sportieve prestatie leverde ik jaren geleden, in de tijd dat ik in een buitenwijk van Amstelveen woonde, en dat terwijl Amstelveen van zichzelf ook al een soort buitenwijk is. Mijn huwelijk was tijdelijk kapot en ik had bedacht dat twaalf maanden alleen wonen in een ongemeubileerde eengezinswoning recht onder een aanvliegroute naar Schiphol een goed idee zou zijn. Gezeten op een tuinstoel rookte ik als een ketter en dronk ik elke dag een schier eindeloze hoeveelheid biertjes en borreltjes. Nog één afzakkertje, dacht ik dan, als het al bijna niet meer de moeite was om nog naar bed te gaan.

Op een ochtend werd ik weer eens wakker met een heipaal in mijn hoofd en dacht: zo kan het niet langer. Ik herinnerde me dat ik als puber graag had hardgelopen. In de plaats waar ik opgroeide, Alphen aan den Rijn, zeg maar het Amstelveen van Zuid-Holland, rende ik soms meerdere malen per week rond de Zegerplas en voelde me daar goed bij. Daarom kocht ik in een sportzaak een strakke broek, een hempje, hardloopsokken met op de kleine teen links een L en rechts een R en schoenen met voldoende fixatie op de hielkap. Geen idee wat dat betekende, maar de verkoper zei dat het belangrijk was.

Ik reed naar het Amsterdamse Bos om eerst wat te rekken en strekken. Vervolgens hupste ik als een hinde de lucht in en begon. Na een meter of tweehonderddertig voelde ik het rokersslijm in mijn keel loskomen. Na nog eens honderdvijfenzestig stappen: steken in de leverstreek. Weer iets verderop hield ik hijgend halt. Ik walgde van mezelf, maar achteraf beschouw ik deze run als mijn grootste sportieve prestatie ooit. Het was alsof ik met honderd kilo lood aan mijn voeten een baantje had getrokken.

Ruim vijf jaar geleden stopte ik met roken en drinken. Ook at ik geen vlees meer, werd bloeddonor en ging het hardlopen serieuzer oppakken. Dat rennen ging een stuk gemakkelijker dan voorheen, al na een week of twee hoestte ik mijn laatste rokersslijm op. De steken in mijn lever waren ook verleden tijd. Ik rende twee kilometer, toen vijf, toen tien. Eerst nog met pauzes tussendoor, daarna aan één stuk.

Diverse Nederlandse media schreven vorig jaar dat voor elk uur dat je hardloopt, je 7 uur langer leeft. NRC checkte die bewering.

Deze zondag loop ik voor de tweede keer de Dam tot Damloop: 16,09 kilometer. Mijn broer en ik zijn lid van team Toko Bali uit Landsmeer, wat qua uiterlijke kenmerken (wij als enigen met spierwitte melkflessen) best een grappige groepsfoto oplevert. Vorig jaar ging het van een leien dakje, maar de voorbereidingen verliepen dit jaar niet probleemloos. Dat had drie oorzaken.

Mijn rug

Al mijn hele leven heb ik last van mijn onderrug. Als adolescent al ging ik er eens in de zoveel tijd doorheen en moest ik soms zelfs een tijdje plat. In het voorjaar van 2015, net na het verschijnen van mijn bekendste roman, het autobiografische Hallo muur, werden de problemen heviger dan ooit. Op een gegeven moment liep ik zelfs met een rollator. Het protocol volgend, adviseerde een arts in een niet nader te noemen ziekenhuis mij eerst paracetamol, toen het erger werd fysiotherapie. Toen ik voortdurend zware elektrische schokken net boven mijn rechterbil kreeg, mocht ik ineens morfine. Geopereerd werd ik niet, want „u heeft in ieder geval geen hernia”. Weer buiten belde ik een privékliniek, waar ik diezelfde week werd ontvangen voor een MRI-scan. Ik ontdekte dat ik ook nog eens last had van claustrofobie. Gelukkig had ik, om me op mijn gemak te stellen, muziek naar keuze mogen meenemen. In de gauwigheid was de keuze op een cd met Malinese volksliedjes gevallen, de trommeltjes en het geknepen gezang werden overstemd door het doordringende geluid van de reuzenscanner. Ik had een balletje in mijn hand, als ik erin kneep werd de scan afgebroken. Maar ik kneep niet, want dan moest ik later wéér.

Ik ben buiten de groep gaan staan en dat voelt bij tijd en wijle heel erg braaf en ook brilsmurferig

De uitslag was een dubbele hernia en ik moest zo snel mogelijk worden geopereerd. Toen ik ontwaakte uit mijn narcose riep een verpleegster heel hard: „Meneer Harmens, meneer Harmens!” Waarom ze dat deed weet ik niet, ook zij volgde denk ik weer een protocol. In de weken die volgden moest ik opnieuw afkicken, niet van de drank dit keer, maar van de morfine. Ik kon weer zonder rollator over straat, een aantal maanden later begon ik voorzichtig met joggen en twee jaar later kwam ik voor het eerst over de finish in Zaandam.

Onlangs verscheen mijn roman Door het licht, de opvolger van Hallo muur. Net na het verschijnen, een maand geleden, kreeg ik opnieuw rugproblemen. Lang niet zo erg als in 2015, geen elektrische schokken, maar pijn is er wel. Niet ideaal als je aan het trainen bent voor een hardloopwedstrijd, maar ik loop maar gewoon door de pijn heen. Of er een verband is tussen het uitbrengen van een autobiografisch boek en rugklachten, weet ik niet. Op de vraag of het uitbrengen van zo’n boek een hernia waard is, kan ik ook geen antwoord geven. Het is in ieder geval niet per definitie ‘nee’.

Uitstelgedrag

Een tweede reden waarom mijn voorbereiding op de Dam tot Damloop dit jaar niet ideaal was, is dat ik zoals zo veel recreatieve renners ten prooi viel aan procrastinatie. Uitstelgedrag. Veel meer dan vorig jaar denk ik ’s ochtends: ik zou vandaag een rondje gaan rennen, maar – en dan volgen er hele goede redenen waarom ik niet vandaag, maar morgen mijn hardloopschoenen aan zou moeten trekken. Het is vandaag te warm of te koud. Ik heb te veel of te weinig of iets verkeerds gegeten. Ik voel een spiertje of een gewricht. Ik zie een wolk op Buienradar en wil niet overvallen worden door onweer. Soms trok ik meteen na het wakker worden mijn aerodynamische sportkleren aan, ontbeet, talmde twee uren en ging vervolgens toch maar weer onverrichterzake onder de douche staan. Andere keren liep ik in hardloopkleding zelfs naar buiten, wandelde een blokje om het huis en liep toch weer naar binnen, vanwege de harde wind of zoiets. Buren moeten hebben gedacht: die jongen is sportief bezig. Maar in werkelijkheid was er niets gebeurd.

Demonen

Ga met God, zegt mijn gelovige werkster altijd, maar als het om sporten gaat moet ik het vaak doen met demonen. Zeker als ik in tijden van notoir uitstelgedrag uiteindelijk mezelf tóch in beweging weet te krijgen, hangt aan elk van mijn benen een gevallen engel. Het is alsof ze door een rietje het melkzuur uit mijn beenspieren zuigen, ik loop steeds stroever, op een gegeven moment wil ik alleen nog maar naar huis, of nog liever in lucht opgaan.

Dat is de derde reden waarom mijn voorbereiding dit jaar niet ideaal was: iets in mij blijft zich hardnekkig verzetten tegen mijn keuze om gezond te gaan leven. Droogstaan heeft me van het donker naar het licht gebracht en dat licht voelt vaak weldadig, maar soms ook nog zo onwennig. Al mijn literaire en muzikale helden plus mijn eigen vader en een groot deel van mijn beste vrienden, ze houden van innemen. Of hielden van innemen – een deel is al dood. Ze zijn er goed in, they can hold their liquor en weten onder invloed nog prima een diepzinnig gesprek te voeren. Juist dan, als ik erover nadenk. Eenmaal nuchter kunnen ze zich vaak amper nog herinneren wat ze de avond ervoor hadden zitten bauwen.

Lees ook: Abdelkader Benali over hardlopen: ‘Even niks, héérlijk’

Het leven dat ik jarenlang leidde is samen te vatten onder de noemer rock-’n-roll. Een keer na een optreden in Amsterdam zei een vriend tegen me door het open raam van een hele dure BMW: „Ik ga met haar naar Brussel, ga ook mee!” Een paar uur later waren we daar en zolang ik niet op mijn telefoon keek werd ik door niemand gemist. We friemelden simultaan aan de vrouw, die eerder achter het stuur een mantelpak had aangehad. De volgende ochtend wist ik haar naam niet meer en die van mezelf bijna ook niet meer. Met een kater van hier tot Shinjuku (een buitenwijk van Tokio) keek ik in haar badkamer naar mijn evenbeeld in de spiegel en siste: „Slappe zak”. Ik walgde van mijn opgetrokken tandvlees, mijn waterige ogen, de couperose rond mijn konen.

Nu leid ik geen rock-’n-rollbestaan meer. Mijn tandvlees sluit weer netjes aan, mijn ogen staan helder en ik heb geen gloeiende wangen meer. Ik leef en blijf dat voorlopig nog wel even doen, zeker nu ik ook voldoende beweeg, maar dat bewegen doe ik dus soms in een bad vol lijm. De demonen hangend aan mijn benen lijken me op sommige momenten terug te willen trekken, het donker in. Ik, lid van team Toko Bali, dat deze zondag voor de tweede maal de Dam tot Damloop gaat doen, kan op goede dagen genieten van elke stap die ik zet, en van alle daaropvolgende, maar op slechte dagen ben ik niet heel trots op mijn prestatie. Ik ga nu iets raars zeggen, maar het is waar: gezond leven voelt soms alsof ik de vrienden die nog leven zoals ik dat deed, verraad. Zij zijn niet veranderd, ik wel.

Tijdens die gesprekken met mijn vader rookten we als ketters en dronken we een schier eindeloze hoeveelheid biertjes

Ik ben buiten de groep gaan staan en dat voelt bij tijd en wijle heel erg braaf en ook brilsmurferig, oftewel betweterig, alsof ik het licht heb gezien en de anderen nog niet. Sommige vrienden (ik weet niet eens of ik ze nog zo mag noemen, ik zie ze nooit meer), zeiden het letterlijk: „Je had toch ook af en toe kunnen blijven drinken. Gewoon wat minder.” Maar nee, ik moest zo nodig naar nul en nu is het toch niet meer echt gezellig. Niet meer zoals vroeger.

Ik weet dat het als een tang op een varken slaat en dat wie het niet gezellig kan hebben zonder drank toch ook gewoon een zielepiet is, maar soms voel ik me een spelbreker. Voel ik me door niet te roken en niet te drinken zelfs disloyaal aan mijn vader, die anderhalf decennium geleden door een arts in een niet nader te noemen ziekenhuis werd onderzocht, vanwege problemen met slikken en nog zo wat andere klachten. „Het is in ieder geval geen kanker”, werd gezegd, maar later bleek dat het toch wel te zijn. Na bestraling en chemo was hij „helemaal schoon”, maar niet heus, want binnen een jaar was hij wéér ziek en werd hij in één moeite door meteen ook maar opgegeven. Het voert te ver om hier mijn hele jeugd uit de doeken te doen, maar laat ik zeggen dat mijn vader en ik een moeilijke start hadden en pas veel later goede gesprekken konden voeren. Tijdens die gesprekken rookten we als ketters en dronken we een schier eindeloze hoeveelheid biertjes en borreltjes. Daar zijn we later alle twee mee opgehouden, ik door de Jellinek te bellen, hij door naar de hemel te gaan.

    • Erik Jan Harmens