Foto: Eamonn McCabe

‘In Sri Lanka was het leven zo enorm anders dan in Engeland’

Michael Ondaatje

De nieuwe roman van Michael Ondaatje, vooral bekend van The English Patient, gaat over een naoorlogs verleden en een zoektocht naar identiteit. ‘Je jeugd is het moment om outsider te zijn.’

‘Hou het kort”, waarschuwt Michael Ondaatje (75) wanneer we in de hotelkamer van zijn Duitse uitgever zitten. Een half uur eerder is Ondaatje vanuit München in Keulen gearriveerd, waar hij de promotie van de Duitse vertaling luister bijzet. „Hij is fit, maar het is erg zwaar voor hem”, vertrouwde de Duitse uitgever van Hanser Verlag me toe in de lift. Fit oogt Ondaatje inderdaad, tegelijkertijd spreekt er een zweem van ongeduld uit zijn ogen. Hier zit een gelauwerd auteur: Ondaatjes nieuwste boek Blindganger (Warlight) stond op de longlist van de Booker Prize 2018, zijn English Patient kreeg in juli van dit jaar de Golden Man Booker voor het beste fictiewerk van de afgelopen vijftig jaar. Voor zijn uitgever staat hij één Nederlandse journalist te woord, maar hij heeft er weinig zin in.

Zijn ongemak wordt geaccentueerd door het hotel. Zelden zal een locatie zo slecht gepast hebben bij een auteur. De schrijver van modernistische romans waarin het vaak draait om de zoektocht naar het verleden, zit tijdens het gesprek op een laag, rond krukje dat past bij het interieur van het ruimteschip-achtige hotel, waar David Bowie’s Space Oddity door de gangen schalt en ruimtes zijn vrijgelaten voor ‘experiences’. Terwijl we uitkijken op de knuffel die op het bed ligt – een gebreid iets dat een ruimtewezen moet voorstellen – mompelt Ondaatje: „Merkwaardig hotel.”

Beter gestemd raakt hij wanneer hij het omslag ziet van de Nederlandse vertaling. Hij knikt tevreden, het is mooi, alleen is het voor hem wel de vraag waarom hij van de Nederlandse uitgever nog geen exemplaren ontving. „Ik wist niet eens dat het al verschenen was.” De titel van de Nederlandse vertaling, Blindganger, vindt hij voortreffelijk gekozen, dankzij de dubbele betekenis.

Blindganger vertelt het verhaal van de 14-jarige Nathaniel die in het naoorlogse Engeland verlaten wordt door zijn ouders. Hij en zijn zuster Rachel zullen opgevangen worden door merkwaardige figuren, die louche of misdadig zijn. Wanneer ze de koffer ontdekken van hun moeder beseffen Rachel en Nathaniel dat ze door haar bedrogen zijn. Ze is niet vertrokken, maar ergens ondergedoken omdat ze als lid van de Britse geheime dienst gevaar loopt. Enkele jaren later werkt Nathaniel zelf bij de geheime dienst en ontdekt deels wat er met zijn moeder is gebeurd en waarom ze bepaalde keuzes heeft gemaakt.

‘In 1945 gingen onze ouders weg en werden we toevertrouwd aan de zorgen van twee mannen die mogelijk crimineel waren’, luidt de openingszin. Hoe en wanneer Ondaatje die bedacht heeft, weet hij niet meer. „Het boek ontvouwde zich, het kwam zoals het er staat. Het fijne van die zin is dat het je meteen in de setting plaatst: dit is waar we zijn, wie we zijn en dit is wat er gaat gebeuren. Het was een handige eerste zin. Een beetje zoals een sprookje begint: ‘Er was eens een muzikant die een hond had, et cetera’. Maar dan wat zwartgalliger.”

Nathaniel probeert zijn kindertijd te begrijpen. Hoe belangrijk is het om je jeugd te begrijpen?

„Voor Nathaniel, voor mij of in het algemeen?”

Laten we met de algemene zoektocht beginnen.

„Dat weet ik niet, maar ik denk wel dat wanneer we opgroeien we weinig kennis hebben van wie onze ouders waren. Dat is ook wat Nathaniel uitzoekt, maar bij hem is het extra gecompliceerd, omdat zijn ouders ook nog eens zijn verdwenen. Aanvankelijk geniet hij ervan dat hij is achtergelaten en zijn eigen wereld kan vormen, maar na een tijdje gaat dat vervelen.”

En hoe belangrijk is het voor u, met uw memoir ‘Running in the Family’ in gedachten?

„Zeer belangrijk. Ik vertrok uit Sri Lanka toen ik elf was. In dat boek stof ik het landschap en de familiegeschiedenis af. Ik werd naar Engeland gestuurd en probeerde me de daaropvolgende tien jaar aan te passen. De cultuur, de kleren, de natuur – alles was anders. Ik kon me niet permitteren me zorgen te maken over het verleden en wat ik miste, ik was te druk bezig met me aan te passen aan Engeland.”

Opgroeien met ouders die zich nooit echt laten kennen. Hoe krijg je dan grip op je eigen leven? Daarover schreef Ondaatje een gelaagde roman (●●●●). Lees ook de recensie: Verzin desnoods je eigen geschiedenis

Staat aanpassen niet haaks op ontcijferen van het verleden?

„Ja, maar het ontdekken van het verleden is een goede manier om je aan te passen aan het heden. Dat ik voor dat verleden kies in mijn romans komt grotendeels voort uit wat mij is overkomen. Het was niet dat ik Running in the Family daarom schreef, maar het paste wel bij de situatie waarin ik verkeerde. Ik woonde in Sri Lanka, in Engeland, in Canada, werd daar schrijver, of eigenlijk eerst dichter. Pas toen ik Running in the Family schreef, kon ik ontdekken wat er in het verleden was gebeurd. Ik had het wel een stuk makkelijker dan Nathaniel, ik had veel familieleden in Sri Lanka op wie ik kon terugvallen, met wie ik kon praten.”

Is het ontsluiten van het verleden, achtergelaten worden als kind vooral een migrantenthema?

„Ik denk dat dat vooral een universeel thema is, zie de vele memoirs die er verschijnen. Iedereen wil weten waar hij vandaan komt. Als je in één land opgroeit en leeft, maakt dat de zoektocht wellicht makkelijker, maar het blijft relevant.”

Heeft de zoektocht u iets opgeleverd?

„Ja. Een goed besef van een andere manier van leven. In Sri Lanka was het leven zo enorm anders dan in Engeland. Je moet het verschil zien als dat je door een mormoon bent opgevoed en dat je dan opeens ontdekt dat je afkomstig bent uit een familie van balletdansers. Zoiets was de overgang naar Engeland, een heel vervreemdende ervaring. Mijn identiteit beperkt zich niet alleen tot Engeland of Canada, maar dat ik plotseling een heel andere achtergrond had, was een verrijking, ik werd er niet somber van.”

Bepaalde die positie ook uw perceptie op dingen die u later in uw romans kon verwerken?

„Ik probeerde te ontdekken wat hún perceptie inhield, van de natuur bijvoorbeeld. Ik ging in Londen naar school, en dat betekent: de metro pakken, weer boven de grond komen om naar school te gaan, en weer terug. Dat er meer was, besefte ik pas later en daar wilde ik toen ook meer over weten. Dus niet alleen een tochtje op de Thames, maar ontdekken wat er in de zijstromen te vinden was, een ontdekkingsreis naar de natuur en het landschap. Ik had wat vrienden in het groene Suffolk, waar het boek zich deels afspeelt, en daar ben ik een tijd gebleven. Een vreemde omgeving voor me, er stonden geen wegwijzers, dus ik had geen idee waar ik was, toen ik op mijn ontdekkingsreizen ging.”

In uw romans spelen landkaarten een belangrijke rol, in deze roman vormt die zelfs het motto: ‘De meeste grote slagen worden geleverd in de vouwen van topografische kaarten’. Zijn landkaarten objectief of politiek?

„Beide, denk ik. Bovenal is de kaart een landschap op zichzelf. De roman is niet alleen de kaart van een gebied, maar ook van de omgeving van de hoofdpersoon. Ik gebruik de term dus ook in metaforische zin. Je moet het zo zien: als ik een oorlog beschrijf gaat het niet alleen om de veldslag, maar vooral om de omgeving, waar de echte schade plaatsvindt. Ik ben geïnteresseerd in wat er verloren gaat tussen de vouwen van de kaart.”

Het idee van de outsider hangt altijd samen met de jeugd, dat is het moment om de outsider te zijn, daarna moet je je aanpassen.

Maar soms is het juist wel concreet, in ‘The English Patient’ schrijft u: ‘Keer de Europeanen de rug niet toe: zij tekenen de kaarten’.

„Dat was ik even vergeten, maar het is waar, die kant zit er ook in. Wie de kaart tekent, bepaalt de politiek, zeker in gekoloniseerde gebieden. Wat Joseph Conrad The Heart of Darkness noemt, is helemaal niet duister. Het is simpelweg nog niet ingetekend en het valt daarom buiten zijn blikveld. En wat Conrad wil ontdekken, bestaat natuurlijk allang: er is al cultuur. De kaart is iemand anders’ versie van jezelf.”

U lijkt in dit boek kanttekeningen te plaatsen bij de Britse rol en hun steun aan de partizanen tijdens de Tweede Wereldoorlog. In ‘Anil’s Ghost’ wordt het verleden van Sri Lanka aan de hand van botten geconstrueerd. In ‘The English Patient’ stelt een personage dat er nooit een atoombom gegooid zou zijn op een wit land. Hoe belangrijk is het om naast je eigen verleden ook een algemener historisch perspectief bij te stellen?

„Het is niet mijn bedoeling om morele oordelen te vellen over wat er nou goed en slecht was aan de oorlog. Het gaat me in dit boek niet om hoe de Britten zich hebben gedragen; zelfs de Britten hebben hun perspectief. Het is te makkelijk om een kant van alles de schuld te geven. Dat is niet iets waar ik me mee bezighoud.”

Foto: Hollandse Hoogte

Gaat het dan vooral om het perspectief van de outcast?

„Ja, buitenstaanders die niet deel uitmaken van het verhaal zijn belangrijk, ze zijn er altijd in mijn boeken. Ze hebben soms de interessantere, wildere verhalen te vertellen.”

Is Nathaniel een outsider?

„Ja, misschien wel, of beter gezegd: misschien wordt hij dat wel, dat is een interessante optie. Hij heeft beide kanten in zich. Hij is een verantwoordelijke figuur maar ook een buitenstaander. Het idee van de outsider hangt altijd samen met de jeugd, dat is het moment om de outsider te zijn, daarna moet je je aanpassen.”

Nathaniel is een onbetrouwbare verteller. Het lijkt alsof romans tegenwoordig steeds minder vaak gebruik maken van onbetrouwbare vertellers. Is dat niet jammer, of zijn onbetrouwbare vertellers niet essentieel voor fictie?

„Op een bepaalde manier is Nathaniel zeker onbetrouwbaar. Niet dat hij liegt, maar hij weet het gewoon niet, hij vult in. Ik denk niet dat een boek per se beter is als de verteller het niet weet. Maar dat er minder romans worden geschreven vanuit het onbetrouwbare perspectief klopt, denk ik. Veel vertellers hebben te veel vertrouwen. En dat is wel een beetje jammer soms. Als de verteller alles weet, dan zijn ze vaak wat uit de hoogte tegenover de lezer. Omdat ik begon als dichter, weet ik hoe je iets kunt schrijven zonder alles te zeggen. In een gedicht zeg je zestig of zeventig procent, de rest moet de lezer zelf meenemen, om het gedicht af te maken, zodat ze samen de ‘waarheid’ kunnen vinden. Van een alwetende verteller val je in slaap.”

    • Toef Jaeger