Herziening strafzaak is heel lastig af te dwingen

Advocaat Geert-Jan Knoops vindt dat veroordeelden weinig aan de bestaande regeling hebben.

Sinds 2012 is de wettelijke regeling voor het verzoeken van herziening van een onherroepelijk geworden strafzaak veranderd. Foto Lex van Lieshout

Een nieuwe wettelijke regeling die het voor veroordeelde verdachten eenvoudiger moet maken om bij de Hoge Raad herziening van hun strafzaak te vragen, wordt te strikt toegepast.

Tot die conclusie komt advocaat en hoogleraar internationaal strafrecht Geert-Jan Knoops in een artikel in het Nederlands Juristenblad (NJB) dat vrijdag verschijnt. Volgens de advocaat moet het makkelijker worden om bij de Adviescommissie afgesloten strafzaken (Acas) een nader onderzoek te vragen door gewezen verdachten. Die wettelijke adviescommissie moet „ruimhartiger” omgaan met verzoeken van mensen die vinden dat ze het slachtoffer zijn van een gerechtelijke dwaling.

Lees ook: Veroordelingen Arnhemse villamoord mogelijk grote gerechtelijke dwaling

De Acas, die werd ingesteld in 2012, heeft sinds haar oprichting dertig verzoeken tot nader onderzoek van gewezen verdachten beoordeeld. Volgens Knoops oordeelde de adviescommissie in slechts vier van deze aanvragen dat nader onderzoek gewenst is. Een woordvoerdster van de Acas zegt overigens dat de commissie in acht gevallen tot nader onderzoek heeft geadviseerd. In geen enkel geval leidde de nadere studie uiteindelijk tot een succesvolle herziening. Eén zaak, de zogeheten Arnhemse Villamoord uit 1998, is nog in behandeling. Deze week is door de procureur-generaal bij de Hoge Raad op advies van de Acas besloten dat er nader DNA-onderzoek in deze zaak komt. Het gaat mogelijk om de grootste gerechtelijke dwaling ooit in Nederland.

Sinds 2012 is de wettelijke regeling voor het verzoeken van herziening van een onherroepelijk geworden strafzaak veranderd. Tot 2012 adviseerde de zogeheten Commissie evaluatie afgesloten strafzaken (CEAS) over de wenselijkheid van herziening aan de top van het Openbaar Ministerie. Een veroordeelde verdachte moest ‘nieuwe omstandigheden of feiten’ presenteren die – als ze destijds tijdens het proces bekend waren geweest – mogelijk tot een ander rechterlijk oordeel hadden geleid. Het OM kon dan op haar beurt aan de procureur-generaal (PG) bij de Hoge Raad om een herziening vragen.

Geschokte rechtsorde

Sinds vijf jaar kan de advocaat van een veroordeelde ter voorbereiding van een herzieningsaanvraag bij de PG bij de Hoge Raad een verzoek indienen tot het verrichten van een nader onderzoek naar de aanwezigheid van een grond voor herziening. Een dergelijk verzoek kan alleen worden gedaan wanneer het gaat om een veroordeling wegens een misdrijf waarop een gevangenisstraf van twaalf jaar of meer staat en de rechtsorde door dit misdrijf ernstig is geschokt. De PG kan in zo’n geval de Acas vragen of er een nader onderzoek moet komen. Bij veroordelingen tot een straf van meer dan zes jaar cel moet de pg advies aan de Acas vragen. Als er „voldoende aanwijzingen” bestaan voor een grond tot herziening, kan een verzoek om nader onderzoek worden toegewezen.

Wetenschapsfilosoof Ton Derksen publiceerde in 2016 een boek over dit onderwerp: Gerechtelijke dwalingen in Nederland; ze komen vaker voor dan je denkt

In de praktijk betekent dit volgens Knoops dat aanvragers de adviescommissie moeten overtuigen dat er „een ernstig vermoeden” is dat nader onderzoek een nieuw feit zal opleveren. „Terwijl onderzoek in dergelijke gevallen nu juist nodig is om mogelijke vermoedens te sterken. Men stuit hier dus op een cirkelredenering.” De advocaat concludeert dat „de rechtspositie van de gewezen verdachte, in tegenstelling tot de grondgedachte van de wetgever, niet wezenlijk is versterkt door de wijze van uitvoering van de nieuwe wet”.

Redelijke twijfel

Als criterium voor het toewijzen van een verzoek tot nader onderzoek moet volgens Knoops gaan gelden dat er „redelijke twijfel” is. Die ‘drempel’ is lager dan de eis van een „ernstig vermoeden”.

Advocaat Knoops behartigt de belangen van twee veroordeelde mannen in de Villamoordzaak. Zij hadden celstraffen van vijf tot twaalf jaar gekregen wegens een dodelijke roofoverval precies twintig jaar geleden in Arnhem. De Acas zegt na uitvoerige bestudering „een verontrustend beeld” te hebben gekregen van deze strafzaak. Volgens de commissie zijn de veroordelingen die het gerechtshof in 2000 uitsprak „naar huidige wetenschappelijke inzichten thans niet meer houdbaar”.

Knoops heeft de afgelopen jaren regelmatig cliënten bijgestaan die om herziening van hun onherroepelijke gevangenisstraf hebben gevraagd. Hij was onder meer raadsman in de strafzaak die bekend staat als de Zes van Breda. Die zaak uit 1993 draait om een roofmoord in Breda, waarbij een 56-jarige vrouw omkwam. De Hoge Raad bepaalde in december 2017 dat de zaak niet voor een derde keer inhoudelijk behandeld hoeft te worden. Het arrest kwam als een verrassing, omdat de advocaat-generaal een nieuwe rechtszaak had geadviseerd. Diens adviezen worden in de regel opgevolgd. De veroordeelden, die al straffen van twee en tien jaar hebben uitgezeten, zeggen onschuldig te zijn.

    • Marcel Haenen