Opinie

    • Menno Tamminga

FNV heeft ’t spandoek al klaar: Vecht voor vijf

Terwijl het ledental van de FNV gestaag daalt richting 1 miljoen, schroeft de vakbond zijn looneis op. Volgend jaar wil de FNV ten minste 5 procent extra loon. Dit jaar was de eis 3,5 procent. Volgens de cao-barometer van werkgeversvereniging AWVN stegen de contractlonen de afgelopen twaalf maanden met 2,3 procent. De FNV is wel de grootste bond, groter zelfs dan alle andere (CNV, Vakcentrale Professionals, Alternatief voor Vakbond) samen, maar gaat niet in zijn eentje over cao’s. Op basis van de FNV-eis van 2018 is de ‘succesratio’ 0,66 procent. Bij een gelijkblijvende score is de 5-procenteis voldoende om vólgend jaar het doel van 2018 te bereiken. Nipt 3,5 procent. Maar hé, dat is meer dan de 2,9 procent in de ramingen van het Centraal Planbureau (CPB).

Economen hebben vast knappe argumenten voor 5 procent, maar dit zijn cao-onderhandelingen. Dat is geen raketwetenschap. Met die 5 procent kun je de raming van het CPB overtreffen. Maar die 5 procent ‘bekt’ ook gewoon goed. Marketing? Niks mis mee. De FNV had ook 4 procent kunnen kiezen, of 4,5 procent, maar dat zou getuigen van een kruideniersmentaliteit in hoogconjunctuur. Wereldvreemd. De spandoeken kunnen nu geverfd worden: Vecht voor Vijf.

Lees ook deze eerdere column over de (on)macht van de FNV

Die 5 procent valt, dat is het volgende argument, ook in de meest vruchtbare maatschappelijke aarde. Traditionele pleitbezorgers van loonmatiging, zoals De Nederlandsche Bank, zijn al jaren ‘om’. De gebruikelijke critici („vakbonden zijn oudere-witte-mannenbolwerken”) hebben geen weerwerk. De banengroei de laatste twee jaar was al spectaculair. Dat is voor iedereen die aan de slag is gegaan extra koopkracht. Nu willen de andere werkenden ook meer.

Alleen de werkgevers zijn tegen, maar juist dat speelt soepel in op het aanzwellende anti-multinationalsentiment.

Toch is het de vraag of zo veel aandacht voor die 5 procent terecht is. Want de looneis heeft niet de allerhoogste prioriteit van de FNV. Dat is namelijk het terugdringen van de daglonerseconomie met haar flexibele contracten.

In de redenering van de FNV, en daar is wel iets voor te zeggen, heeft de toename van de flexibele contracten de onderhandelingsmacht van de vakbond ondermijnd. Mensen met flexibele contracten zijn beduidend minder vaak lid van een bond. Zij staan vanwege hun onzekere positie ook onmondiger tegenover hun werkgever. Het zijn jongeren die zulke daglonerscontracten moeten accepteren. En juist dat zijn de nieuwe leden die de FNV nu niet weet te winnen. Dus bekijk het vanuit een doelgroepenstrategie: 5 procent voor ‘vaste’ werknemers, ‘flex’ in de ban voor jongeren.

Zal de FNV met deze strategie haar succespercentage vergroten? Het zijn de huidige FNV-leden die de prioriteiten in de cao-inzet én de actiedruk bepalen. Steunen zij de anti-daglonerscampagne ook nog als de werkgevers de gemakkelijke weg kiezen en bijvoorbeeld 4 procent extra bieden?

Verder is er de machtsvraag. De FNV schermt met de rechtvaardigheid van haar looneis. Klinkt verheven. Maar daar win je de belangenstrijd niet mee.

Het aantal mensen in een bedrijf dat lid is van een bond, de onderhandelingstactiek van werkgevers en bonden, de financiële positie en (het gebrek aan) eenheid aan beide kanten bepalen de uitkomst. De bonden hebben wel succes in de publieke sector (politie, onderwijs, rijksambtenaren). Maar in het zo winstgevende bedrijfsleven, zoals de industrie, weten de werkgevers de stakingen te weerstaan. Bij chemie- en verfgigant AkzoNobel zit het overleg vast en escaleren de bonden hun acties. Met die 5 procent voor ogen moet die hardnekkige tegenstand de FNV zorgen baren.

Maarten Schinkel is afwezig.
    • Menno Tamminga