Recensie

Een moordmachine van gelukszoekers

Kolonisatie

De kolonisatie van gebieden buiten Europa ging met veel geweld gepaard. Soms liep dat uit op al dan niet bedoelde genocide, zo blijkt uit twee boeken over koloniaal geweld.

De Belgische colonel Lothaire hoort een protesterende Congolees aan (Congo-Vrijstaat, 1895)

Zou er in Gloria Wekkers veelbesproken ‘culturele archief’ ook een lade zijn, misschien wel een hele afdeling, voor militaria? Zwarte Piet is één ding, en ernstig genoeg natuurlijk, maar vierhonderd jaar koloniale oorlogvoering moet toch ook sporen hebben nagelaten in het krijgsbedrijf.

In Colonial Violence biedt de Duitse militair historicus Dierk Walter (1970) een fascinerende, even brede als scherpzinnige analyse van koloniaal geweld van Europese mogendheden. Hij zoekt naar patronen en de ‘logica’ van dit geweld tegen inheemse volken, lokale machthebbers en niet-Europese naties, op basis van een verpletterend aantal historische data, van China en India tot Noord-Amerika en zuidelijk Afrika, en van de zestiende eeuw, toen de Europese expansie op gang kwam, tot de late twintigste eeuw, inclusief de geallieerde invasie van Irak en de Navo-inzet in Afghanistan.

Walter weet de patronen die hij in het feitenmateriaal bespeurt (hij spreekt ook, voorzichtiger, van familiegelijkenissen) te onderbouwen. Hij noteert: de kleinschaligheid van veel koloniale oorlogvoering, de asymmetrie tussen de strijdende partijen; het permanente en vaak low intensity karakter van de vijandelijkheden, die zich decennia konden voortslepen. Zoals in het Romeinse Rijk, aan de grenzen waarvan altijd ergens een bloedig conflict woedde, en ‘de deuren van de oorlogstempel nooit dicht waren.’

Ossenkarren

Veldslagen waren schaars; het beeld van koloniale oorlogvoering is eerder dat van ‘een eindeloze colonne ossenkarren in de modder’. De troepenaantallen waren gering: van Zuid-Afrika tot aan de Sahara beschikte Groot-Brittannië in 1902 op het koloniale hoogtepunt over zo’n 11.000 man. De maximale omvang van de Sovjettroepen in het uitgestrekte Afghanistan in de jaren negentig was zo’n 100.000 man. Alleen de VS steken er boven uit, met voor het eerst een half miljoen man in Zuid-Viëtnam. Zulke uitzonderingen zijn, meent Walters, ‘tijdelijke concentraties, in een semi-permanente toestand van alledaags geweld aan de randen van het imperium’.

Geen wonder, oorlog is kostbaar. Europese landen gaven er de voorkeur aan om hun belangen veilig te stellen of uit te breiden zonder troepen overzee te sturen. Als dat niet lukte, volgde bruut geweld, zoals tijdens de Opium-oorlogen met China, tussen 1839-1860. Koloniale conflicten waren dan ook ‘bij uitstek een vorm van politieke oorlogvoering’, aldus Walter. De meest frequente vorm ervan waren ‘strafexpedities’ (Nederlands eufemisme: ‘politionele acties’) tegen inheemse volken of naties die Europese dominantie en economische exploitatie in de weg stonden. De oorlog was niet ‘totaal’, zoals later in de twintigste eeuw.

Dit is geen relativering van het koloniale oorlogsgeweld, laat staan een vergoelijking. De westerse expansie was ‘buitengewoon gewelddadig’en werd gekenmerkt door een wreedheid die in Europa na de Dertigjarige Oorlog eeuwenlang niet was vertoond. Complete volkeren, culturen en beschavingen werden van de aardbodem gevaagd, vanaf de moorddadige Spaanse annexatie van ‘Amerika’. Walters wijst er nog wel op dat genocide zelden het expliciete doel was; dat was eerder het breken van verzet oftewel ‘pacificatie’. Maar gekoppeld aan culturele vernietiging, besmettelijke ziektes en economische exploitatie kon dat de facto uitmonden in genocide. Het Belgische bewind in de Kongo kostte nog in de negentiende en twintigste eeuw miljoenen het leven. Inheemse bevolkingen van Californië, Australië en Duits, zuidwestelijk Afrika (het huidige Namibië) werden vrijwel uitgeroeid, een sinister voorspel van latere volkerenmoord in Europa zelf.

Negentiende-eeuws biologisch racisme speelde een grote rol in het aanjagen en legitimeren van geweld, evenals het sociaal-darwinistische idee dat ‘primitieve’ volkeren nu eenmaal gedoemd waren in de mist van de geschiedenis te verdwijnen. Ook militaire vooroordelen en tactieken bevorderden hardvochtigheid. In Europese ogen was de tribale manier van oorlogvoeren, inclusief rituele verminking, dermate barbaars dat alle eigen militaire codes over de behandeling van gewonden en niet-strijders overboord gingen. Doordat conventionele veldslagen meestal uitbleven, werd het bovendien verleidelijk de tactiek van verschroeide aarde toe te passen om de tegenstander op de knieën te dwingen. Overigens waren het vaak niet militairen maar kolonisten die de allerergste moordpartijen aanrichtten (en zo escalatie en oorlog provoceerden).

Walters Colonial Violence is een minutieuze en goed geschreven analyse, die wel wat vergt van de lezer. De auteur springt thematisch door continenten en tijdvakken, zonder veel historische toelichting voor leken. Wie een chronologische, narratieve geschiedenis zoekt, of een beschrijving van veldslagen, moet elders terecht (zulke boeken zijn er in overvloed).

Op de meest recente ‘koloniale’ interventies in Afghanistan en Irak gaat Walter maar kort in, maar hij ziet niettemin een sterke continuïteit: langdurige, laag intensieve en asymmetrische oorlogvoering, getekend door politieke doelen en culturele onkunde, waarbij de burgerbevolking vaak het eerste slachtoffer is. Dat maakt zijn boek ook nuttige kost voor politici en militairen.

Karrevracht

Een van de genocidale episodes die Walter noemt, de etnische zuivering van Californië in de tweede helft van de negentiende eeuw, is het onderwerp van Benjamin Madley’s bekroonde An American Genocide. Aan de hand van een karrevracht aan documenten reconstrueert de Amerikaanse historicus de ondergang van tientallen inheemse groepen na de Amerikaanse annexatie van het gebied.

Madley windt er geen doekjes om; hij spreekt van een ‘moordmachine’ die op stoom kwam nadat goud was gevonden in noordelijk Californië en duizenden vaak zwaarbewapende gelukzoekers toestroomden. Lokale milities en het leger richtten honderden kleine en grotere bloedbaden aan, meestal als vergelding voor vermeende misdaden door inheemsen. Hun aantal verschrompelde van zo’n 150.000 in 1846 tot nog geen 20.000 dertig jaar later. Pas na 1873 nam het moorden af, enerzijds omdat er nog maar weinig te moorden over was, maar volgens Madley cynisch genoeg mede omdat native Americans vanaf dat jaar werden erkend als getuigen in rechtszaken.

Was het genocide in de moderne, juridische zin? Madley is daarvan overtuigd en verwijst naar de Genocide Conventie (1948) van de VN. Er was een racistisch gelegitimeerde intentie om de inheemse bevolking uit te roeien, gedoogd en soms actief gesteund door de autoriteiten. Eén gouverneur van Californië sprak in 1851 van een ‘rassenoorlog’.

Critici van Madley vinden dat hij de rol van de autoriteiten te eenzijdig neerzet; improvisatie en ad hoc maatregelen waren veel meer de regel dan opzet en planning. Dat strookt met de analyse van Dierk Walter in Colonial Violence, die de term niettemin óók gebruikt. Zijn argument: genocide was in de regel weliswaar niet de verklaarde bedoeling, maar soms wel het resultaat of sluitstuk van langdurige Europese dominantie en agressie.

Hoe dan ook, dat zich in Californië een massamoord heeft afgespeeld, staat wel vast.

Correctie (22 oktober 2018): in een eerdere versie van dit artikel stond „de geallieerde invasie van Afghanistan”. Dat had „de geallieerde invasie van Irak” moeten zijn. Hierboven is dit aangepast.

    • Sjoerd de Jong