Recensie

Caesar was in de Lage Landen. Of niet?

Boekrecensie

Julius Caesar streed in België, dat staat wel vast. Maar waar? En tegen wie? Tom Buijtendorp beschrijft in ‘Caesar in de Lage Landen’ wat zeker en wat onzeker is.

Tekening van de slag bij de Sabis, tussen Galliërs en Romeinen. Illustratie World History Archive/Hollandse Hoogte

Julius Caesar wist als geen ander hoe je een veldslag moest beschrijven. Met een paar krachtige zinnen zette hij de lezer midden in de actie, waarbij hij de gruwel niet schuwde. Zoals bij dit gevecht uit 55 voor Christus, dat waarschijnlijk bij Kessel in Noord-Brabant plaatsvond: „Er was ook een grote groep vrouwen en kinderen en deze sloeg nu naar alle kanten op de vlucht. Ik stuurde de ruiterij achter hen aan. De Germanen hoorden gegil en toen zij zagen dat hun vrouwen en kinderen gedood werden, smeten ze hun wapens neer en renden hals over kop weg uit het kamp. (…) Toen zij bij het punt waren aangekomen waar de Maas en Rijn samenstromen, zagen zij geen heil meer in verder vluchten. Een groot aantal van hen werd gedood en de rest wierp zich in de rivier. De angst, de vermoeidheid en de sterke stroming werden hun daar fataal en ze kwamen om.”

Bovenstaande passage is afkomstig uit Commentarii de bello Gallico (‘Commentaren op de Gallische oorlogen’), Caesars verslag van de veroveringstocht waarmee hij tussen 58 en 50 voor Christus naam maakte. Het is misschien wel het bekendste boek dat uit de klassieke oudheid is overgeleverd. Ook veel mensen die geen Latijn hebben gehad, of bij wie het al flink is weggezonken, zullen de eerste regel herkennen: Gallia est omnis divisa in partes tres, quarum unam incolunt Belgae - ‘Gallië is in drie stukken verdeeld, waarvan het eerste bewoond door de Belgen’.

Behalve België en het zuiden van Nederland behoorden het huidige Frankrijk en delen van Zwitserland en het noorden van Italië tot het gebied dat de Romeinen Gallië noemden. Er woonden tientallen stammen, die het regelmatig onderling met elkaar aan de stok hadden. De Romeinen veroverden Gallië vanaf de tweede eeuw voor Christus. Toen Caesar aan zijn veldtocht begon, was het zuiden van Frankrijk al zestig jaar een Romeinse provincie.

Propagandaliteratuur

Caesar bedreef propaganda met De bello Gallico. Hij stuurde het boek in delen naar Rome, zodat de mensen daar kennis konden nemen van zijn heldendaden. Dat betekent dat zijn beweringen met de nodige argwaan moeten worden bekeken. Omdat er zo weinig ondersteunend bewijs was, opperde de Belgische archeoloog Hugo Thoen in 2006 zelfs dat het hoogst twijfelachtig was of de Romeinse veldheer ooit in de Lage Landen was geweest. Maar wie waren dan die Belgen, volgens Caesar de dappersten van alle Galliërs, uit de eerste zin?

Het illustreert nog maar eens het niet te benijden lot van de historicus die zich bezighoudt met de Oudheid. Dankzij het ijverige kopieerwerk van middeleeuwse monniken heeft hij wel de beschikking over bronnen – brieven, geschiedwerken, (auto)biografieën – maar hij kan er niet van uitgaan dat wat daarin staat ook klopt.

Er waren nooit meer dan 60.000 tot 120.000 Belgen op het strijdveld

Gelukkig is er hulp van archeologen: professionals die opgraven rondom infrastructurele projecten en hobbyisten die er met hun metaaldetector op uittrekken. Inmiddels hebben hun bodemvondsten ertoe geleid dat Caesars aanwezigheid in België en het zuiden van Nederland met redelijke zekerheid is vastgesteld.

Maar wat deed hij precies, en waar?

Die vragen worden, zo goed en zo kwaad als het gaat, beantwoord door historicus Tom Buijtendorp in zijn nieuwe boek Caesar in de Lage Landen. De Gallische Oorlog langs Rijn en Maas. Buijtendorp combineert bronkritiek, archeologie, numismatiek (muntkunde) en speurwerk te velde om een zo nauwkeurig mogelijk beeld te schetsen van Caesars tijd in de Benelux.

Caesar begon zijn Gallische oorlog in 58 voor Christus. Hij was toen 41 jaar oud. Al in het volgende jaar bereikte hij de Lage Landen, die hij met ongeveer 40.000 man binnentrok. De noordelijke Gallische stammen die hem tegemoet traden, ongeveer een dozijn in totaal, beschikten over zo’n 275.000 weerbare mannen, volgens Buijtendorp. Hij komt op dit aantal door toepassing van wat hij de ‘Caesarcode’ noemt. De Romeinse veldheer noteerde in De bello Gallico de omvang van de stammen die hij tegenkwam. Buijtendorp stelt dat hij daarmee niet te veel kon overdrijven, omdat hij niet de enige was die brieven naar Rome stuurde.

Caesar hanteerde de vuistregel dat een stam voor een kwart uit weerbare mannen bestond. Archeologisch onderzoek naar grafvelden uit de Romeinse tijd lijkt dit te bevestigen.

Om zijn overwinningen extra glans te geven, deed Caesar echter wel alsof hij alle weerbare mannen van een stam had verslagen. Dat klopt niet, stelt Buijtendorp. Van deze mannen stond nooit meer dan een kwart tot de helft tegelijk op het slagveld. De rest moest op de achterblijvers passen en was bezig met het bewerken van het land. Dit betekende dat er nooit meer dan 60.000 tot 120.000 Belgen tegelijk in het veld konden zijn – nog altijd een flink numeriek overwicht ten opzichte van de Romeinen.

Nadat Caesar in 57 voor Christus zonder veel moeite een aantal stammen aan zijn zegekar had gebonden, overviel een gelegenheidsverbond van Nerviërs, Atrebaten en Viromandiërs zijn marscolonne toen die aan het eind van de dag bezig was in de buurt van de rivier de Sabis een kamp op te zetten. Buijtendorps reconstructie van deze slag biedt een goed inzicht in de veelzijdige bewijsvoering die hij voor de beweringen in zijn boek ontvouwt.

Ten eerste behandelt hij de vraag: waar lag de Sabis eigenlijk? Hij komt met een aantal locaties op de proppen, die allemaal om een andere reden aannemelijk zijn. Via de verbastering Sabis-Save-Seva-Selle komt de rivier de Selle in aanmerking als plek voor de veldslag. Maar mogelijk heeft Caesar zich vergist in de naam van de rivier – hij was tenslotte pas kort in het gebied – en bedoelde hij de Samber. Voor deze plek pleit dat hij overeenkomt met de omgevingsbeschrijving in Caesars boek én dat hij drie dagen marcheren binnen Nervisch gebied lag, zoals in De bello Gallico staat genoteerd.

Doorslaggevend bewijs voor één locatie is er niet, en dus concludeert Buijtendorp dat het „verstandig is meerdere locaties in het vizier te houden in de hoop dat archeologische vondsten ooit uitsluitsel kunnen geven”.

Deze voorzichtigheid is kenmerkend voor Caesar in de Lage Landen. Buijtendorp ontvouwt bij elke door hem beschreven gebeurtenis tal van hypothesen, waarbij hij altijd een onderscheid maakt tussen wat hij wel en niet zeker weet. Omdat er zo weinig hard bewijs is, gaan zijn conclusies meestal niet verder dan de vaststelling dat het ene scenario waarschijnlijker is dan het andere. Dat is voor de lezer misschien frustrerend, maar eerlijk is het wel.

Bagagetros

De slag aan de Sabis zelf reconstrueert Buijtendorp met behulp van zijn kennis van de manier waarop een Romeinse legereenheid zich op mars verplaatste. De lengte van de colonne werd daarbij bepaald door de breedte: hoe meer mannen er naast elkaar op de weg pasten, hoe korter de formatie – en hoe eerder een legioen volledig op het slagveld kon worden ingezet.

Ook de plek die de bagagetros innam in de stoet – marcheerde elk legioen met zijn eigen bagage, of was er één grote tros achteraan? – was een belangrijke variabele als het ging om de snelheid waarmee Caesar zijn legioenen in de strijd kon werpen.

Lees ook: Caesar schreef nepnieuws. Of toch niet?

Bij de Sabis sloegen de Nerviërs onder leiding van hun stamhoofd Bodognatus toe nadat de eerste zes legioenen op de kampplek waren aangekomen. De kilometers lange bagagetros verscheen net aan de horizon, wat ervoor zorgde dat de laatste twee legioenen, die de achterhoede vormden, niet in staat waren hun kameraden snel te hulp te komen. Desondanks slaagde Caesar erin de Galliërs te verslaan.

In de buurt gevonden muntschatten kunnen dienen als ondersteund bewijs voor het feit dat in de streek een veldslag is uitgevochten, stelt Buijtendorp. Mogelijk heeft een aantal krijgers dat ontkwam op de vlucht zijn kostbaarheden in de grond gestopt om ze later weer op te halen. Quod non.

Veel muntgeld

Dit soort vondsten zijn om nóg een reden interessant voor de bestudering van Caesars oorlog in de Lage Landen. Buijtendorp laat aan de hand van andere muntschatten zien welke politieke ontwikkelingen zich voordeden in wat nu het Nederlands-Belgisch grensgebied is. Gallische stammen bekrachtigden hun bondgenootschappen met de overdracht van grote hoeveelheden muntgeld, waarvan de opdruk regelmatig wisselde. De vindplaatsen van deze verschillende munten vertellen daarom iets over de omvang van een militaire coalitie.

Zo lijkt het erop dat de stam van de Eburonen in 54 voor Christus een speciale ‘opstandsmunt’ sloeg waarmee ze bij hun buren langsgingen om steun te verwerven. Hun leider Ambiorix had het voorzien op anderhalf Romeins legioen dat zijn kamp had opgeslagen bij Caestert, iets ten zuiden van Maastricht. Hij slaagde erin de Romeinen uit hun fort te lokken en te vernietigen. Hoewel Caesar niet zelf aanwezig was bij dit drama, werd deze nederlaag hem in Rome zwaar aangerekend.

Het zou tot 51 voor Christus duren voordat ook de Eburonen verpletterd waren onder de caligae (soldatensandalen) van Caesar. (Interessant detail: de spijkers waarmee deze sandalen in Caesars tijd waren beslagen, zijn groter dan in de periode erna. Dat maakt het mogelijk vondsten van schoeiselresten te dateren.)

Tom Buijtendorp plaatst met zijn boek de propaganda van De bello Gallico in een veelzijdig perspectief. Met behulp van archeologische vondsten en een kritische lezing van de tekst wordt duidelijker waar Caesar is geweest, ook al is de plek van een veldslag of een fort vaak niet precies te geven. Hopelijk levert de grond in de toekomst nieuwe bewijzen op. Buijtendorps stijl is niet altijd even soepel, en soms ronduit hermetisch. Wie zich daardoor niet laat afschrikken, heeft aan dit boek een interessant overzicht van Caesars avonturen in de Lage Landen. Met de foto’s uit het illustratiekatern erbij is het zelfs mogelijk op zoek te gaan naar een aantal van de in het boek beschreven plaatsen, om je heen te kijken en je te realiseren: Caesar was hier! (Wellicht.)

    • Bart Funnekotter