Opinie

De leraar mag wat burgerlijk ongehoorzaam zijn

Onderwijsblog Als de leraar zich goed verantwoordt in het woud van regels, mag een goede les ook burgerlijk ongehoorzaam zijn, schrijft Edith Hooge.

ANP XTRA Koen Suyk

Of je nu leraar, onderwijsbestuurder, ouder of schoolleider bent, iedereen merkt dat er in het onderwijs aan de ene kant een heleboel moet, en aan de andere veel niet kan of mag. Dagelijks komt er een stortvloed aan onderwerpen en activiteiten op het onderwijs af, waarvan politici, bestuurders en ‘de samenleving’ vinden dat er in het onderwijs meer of beter werk van moet worden gemaakt.

Democratie en samenleven, tweemaal per dag 20 minuten matig bewegen, mediawijsheid, techniek, ondernemerschap, filosofie, mentale weerbaarheid, taal- en rekenvaardigheden op peil houden, gepersonaliseerde leerroutes, samenwerken met ouders, digitalisering, evidence-based methoden, kansenongelijkheid tegengaan, scholen omvormen tot lerende organisaties: dit is slechts een greep uit alles wat er op scholen afkomt. Op zichzelf belangrijke zaken waar bijna geen weldenkend mens op tegen is, maar het is kortademig, te veel, en bij elkaar opgeteld een onsamenhangende en tegenstrijdige ratjetoe.

Eigen ideeën versus de regels

Tegelijkertijd merken mensen in het onderwijs vaak genoeg dat onderwijs volgens hun eigen opvattingen en ideeën – over hoe leren en lesgeven te organiseren en vorm te geven, hoe leerlingen te bejegenen of hoe te toetsen en te beoordelen – niet mag. Omdat het niet ‘conform beleid’ is of niet ‘aan de regels voldoet’. Want wie onderwijs zegt, zegt regels en administratie. Iedereen heeft zijn handen vol aan verantwoording en compliance: het invoeren van gegevens, het tellen van uren of geld, het bijhouden van dossiers of het schrijven van verantwoordingsdocumenten. Daar is ondanks ruim dertig jaar dereguleringsbeleid van de overheid niet veel in veranderd.

Veel moeten, veel niet mogen en veel tijd kwijt zijn aan red tape: het vergalt het werkplezier en de beroepstrots van leraren, drijft ouders tot wanhoop, en frustreert schoolleiders en onderwijsbestuurders. Maar ook politici en beleidsmakers breken zich het hoofd over hoe regels en bureaucratie te verminderen, en zo de ruimte te creëren voor goed, inspirerend, gevarieerd en vernieuwend onderwijs.

Hoe hiermee om te gaan? Voor onderwijsbewindslieden en de ambtenaren op het ministerie blijft het een lastige opgave om beleid en de wet- en regelgeving te beperken. Ze moeten immers vanuit hun grondwettelijke verantwoordelijkheid goed en voor iedereen toegankelijk onderwijs, gelijkheid in onderwijskansen, toegang tot onderwijs, onderwijsaanbod en -kwaliteit garanderen. En ze moeten daarbij zorgen voor de doelgerichte, doelmatige en rechtmatige besteding van middelen.

Tegelijkertijd is er in Nederland de, eveneens grondwettelijk verankerde, vrijheid van onderwijs, die de oerneiging van de overheid tot centrale wet- en regelgeving, uniformering, standaardisering, en controle en inspectie aan banden legt. Maar in plaats van dat ouders, leraren en schoolbestuurders de vrijheid van onderwijs zelf benutten, wordt deze voor een groot deel ingevuld in het ‘onderwijsbestuurlijke middenveld’. Daar produceren zelfstandige bestuursorganen, sectorraden, bestuurlijke samenwerkingsverbanden, vakbonden, platforms, proces- en projectmanagements, kennisinstituten en steunpunten een flinke stroom beleid, regels, doelsubsidies, beleidskaders, hulpstructuren, incentives en voorlichting.

Dit bestuurlijke middenveld zou zich veel meer moeten matigen, en de ruimte laten aan de mensen in en om de scholen.

Beleidswijs aan de slag

Maar leraren en hun leidinggevenden kunnen zelf ook iets doen. Namelijk: ‘beleidswijs’ acteren. Dit betekent: goed op de hoogte zijn van hoe het onderwijs juridisch en bestuurlijk in elkaar steekt, het verschil kennen tussen strikte wet- en regelgeving (zaken die echt moeten of echt niet mogen), en zogenaamde zachte sturing, zaken waar de overheid en het bestuurlijk middenveld normeren, beïnvloeden, een kant op sturen, een gewenste situatie aangeven, regels waarover een akkoord is gesloten of overeenstemming is bereikt, echter zonder wettelijke grond.

Beleidswijs zijn, is weten wat precies je beslissings- en handelingsruimte is. En die is vaak groter dan op het eerste gezicht lijkt. Het betekent zelf een plan hebben, weten waartoe en hoe het leren en het lesgeven op school vorm te geven, welke accenten te leggen, en dus ook weten van welke onderwerpen en activiteiten minder werk wordt gemaakt. Deze eigen koers vormt het toetsingskader om te bepalen hoe aan welk beleid, welke regel of welk beleidsinitiatief gevolg wordt gegeven.

Eigen koers

Bij beleidswijsheid hoort de bereidheid royaal verantwoording af te leggen over de eigen koers, over de besteding van overheidsmiddelen en over de kwaliteit van de leraren en het onderwijs. Als dat laatste goed gebeurt, is er als vanzelf legitimering voor eventuele burgerlijke ongehoorzaamheid. En daar wordt het voor iedereen in en om de school een stuk beter van, en waarschijnlijk ook een stuk leuker.

Edith Hooge is hoogleraar onderwijsbestuur bij TIAS, Tilburg University.

Reageren

Reageren op dit artikel kan alleen met een abonnement. Heeft u al een abonnement, log dan hieronder in.