Opinie

Steun oppositie

Als kabinet naïef is over Syrië, is de Tweede Kamer dat ook

Stapsgewijs neemt Nederland afscheid van zijn (militaire) betrokkenheid bij de burgeroorlog in Syrië en de strijd tegen Islamitische Staat met F-16’s. Op 7 september maakten de ministers Stef Blok (Buitenlandse Zaken, VVD) en Sigrid Kaag (Ontwikkelingssamenwerking, D66) in een brief aan de Tweede Kamer bekend dat de zogeheten stabilisatiesteun aan Syrië geheel zou worden stopgezet. Afgelopen vrijdag kondigde het kabinet aan de F-16-gevechtsvliegtuigen die boven Syrië actief zijn aan het eind van dit jaar terug te halen.

Het eerste besluit is een gevolg van falen, het tweede een gevolg van relatief succes. Over de burgeroorlog in Syrië constateert het kabinet dat een militaire overwinning van de zittende president Bashar al-Assad „imminent” is, een duurzame vrede verder weg dan ooit lijkt en het effect van de Nederlandse hulpprogramma’s „teleurstellend” is.

Met het heroveren van een van de laatste IS-deelgebieden in Syrië is het einde van de militaire strijd tegen deze beweging in zicht, schrijft het kabinet. Het is reden om te stoppen met de F-16’s. Wel blijven Nederlandse militairen actief in Irak om leger en politie op te bouwen. In dat land blijft de internationale anti-IS-coalitie aanwezig omdat de strijders van het kalifaat zich hebben getransformeerd in een ondergrondse groepering.

Terecht wordt de vraag gesteld naar de effectiviteit van de Nederlandse inspanningen. Een vraag die des te dwingender is na de berichten van de afgelopen week in de televisierubriek Nieuwsuur en dagblad Trouw dat Nederlandse steun in strijd met eerdere toezeggingen terecht zou zijn gekomen bij terroristische groeperingen. Minister Blok gaat samen met de meest betrokken andere departementen de journalistieke bevindingen „grondig” onderzoeken, zo heeft hij de Tweede Kamer laten weten.

Het is begrijpelijk dat Tweede Kamerleden om opheldering hebben gevraagd; minder begrijpelijk is hun staat van opwinding. Waar Kamerleden het kabinet van naïviteit betichten bij het verlenen van steun aan de Syrische oppositie kan hetzelfde gezegd worden van de Tweede Kamer. Hoezo wist men van niets?

Het is haast een patroon: achteraf is er de schrik over de precieze gevolgen van eerdere besluiten. Zo ging het eerder ook bij Srebrenica, de politieke steun aan de Irak-oorlog en de missies in Afghanistan. Groot is aanvankelijk de morele verontwaardiging en daarmee de druk op het kabinet om ‘iets’ te doen. Maar als de minder mooie, rauwe en duistere kanten van dat iets doen aan het licht komen is er het breed geventileerde ongemak.

Dit blijkt weer eens bij de vragen over het in opspraak gekomen non-lethal assistance-programma van Nederland aan de zogeheten gematigde oppositie. Kamerleden hadden kunnen weten dat het hierbij om semi-militaire goederen ging, dus zaken als pick-uptrucks en communicatieappatuur. En natuurlijk bestond de gematigde oppositie niet uit padvinders maar uit vechters met, zoals de geschiedenis van Syrië leert, snel wisselende loyaliteiten. De waarheid van het slagveld is een andere dan die van het papier.

Nederland betrad zeer weloverwogen en mede uit eigen belang (migratiestroom, terrorismedreiging) het wespennest Syrië. Hier zijn ongetwijfeld dingen fout gegaan. Dat moet vanzelfsprekend worden onderzocht. Maar een land dat als speler wil meedoen in de wereld, maakt nu eenmaal vuile handen.

In het Commentaar geeft NRC zijn mening over belangrijke nieuwsfeiten. De commentatoren schrijven deze artikelen in samenspraak met de hoofdredactie.