Opinie

    • Ellen Deckwitz

Samen stuk

Het sterkste lichaam dat ik ken moet tegenwoordig ondersteund worden wanneer het de trap op wil. Het lichaam is 34 jaar, heet Anna en danste jarenlang de sterren van de hemel. Het heeft sinds zes maanden een zware peesontsteking in de linkerknie.

„Het viel te verwachten”, zegt Anna terwijl ze plaatsneemt in de wachtkamer. „Het is voor een ballerina nooit de vraag óf er een blessure komt, maar wanneer.”

Het einde van haar carrière is in zicht. Weinig sporten kunnen je lichaam zo slopen als ballet. In spitzen zitten voeten vol likdoorns, bloedblaren en hamertenen.

Na de fysio is er verdriet. Het herstel verloopt te traag. Er is pijn die niet meer de belofte van groei inhoudt, maar van aftakeling. Ik help haar de trap af en we gaan op weg naar haar vader, waar we zullen lunchen.

„Eigenlijk best grappig”, probeer ik haar op te beuren, „dat je hem de laatste tijd zoveel ziet, jullie hebben jarenlang toch een beetje langs elkaar heen geleefd.”

Anna giechelt door haar tranen heen: iedere keer wanneer ze hem meeneemt naar een voorstelling ligt hij binnen vijf minuten te snurken in zijn stoel. Hij heeft haar carrière altijd gesteund, maar vindt ballet gewoon niets aan. Ze zei weleens dat het enige dat zij en haar vader deelden, genen waren. Ze heeft zijn sterke gestel, die benen van staal, de kniebanden van fudge. Waardoor haar vader enkele jaren geleden ook zíjn grote passie, amateurzaalvoetbal, heeft moeten opgeven. Vanwege een chronische peesontsteking in, je verzint het niet, zijn linkerknie.

Haar vader doet de deur open en omhelst Anna. Terwijl ze zij aan zij naar binnen strompelen, wisselen ze tips uit. Hoe een kompres van dit en dat merk echt verlichting biedt. Dat je best wel een klein beetje alcohol mag als je aan de morfine bent. Twee mensen die vroeger weinig gemeen hadden kunnen opeens niet ophouden met in canon te klagen over de gammele lijven waarin ze zitten opgesloten.

„Waarom heb ik mama’s knieën niet gekregen”, roept Anna.

„Wees blij dat je mama’s hoofd niet hebt”, zegt haar vader en schenkt koffie in. En zo kletsen ze verder, over het missen van sport, hun belabberde fysiek.

’s Avonds belt ze om me te bedanken dat ik meeging naar de fysio.

„Het klopt trouwens wat je zei”, lacht ze. „Die kapotte kniebanden hebben echt een band gesmeed tussen mij en mijn vader. Opeens zijn we zo hecht. Omdat we pijn delen. En het missen delen.”

„Eindelijk verbonden”, zeg ik.

„We hoefden er alleen maar een klein beetje stuk voor te gaan”, zegt ze zacht. „Maar ja, zo werkt liefde nou eenmaal.”

Ellen Deckwitz schrijft op deze plek een wisselcolumn met Marcel van Roosmalen.

    • Ellen Deckwitz