Recensie

In ‘Kin’ is alles bedroevend slecht

Sciencefiction ‘Kin’ heeft een vergezocht script, clichématige dialogen en een twijfelachtige moraal.

Eli (Myles Truitt, rechts) met zijn broer Jimmy (Jack Reynor) en vriendin Milly (Zoë Kravitz) in ‘Kin’.

In een van Detroits vervallen gebouwen vindt een zwarte tiener een mysterieuze doos met leuke lichtjes en gave geluidjes. Als hij op een knopje drukt, schuiven er wat dingen uit en lijkt het een geavanceerd geweer. De veertienjarige Eli neemt het mee naar huis en verstopt het onder zijn bed. Zeer summier samenvattend: Eli slaat met zijn net uit gevangenis gekomen (half)broer Jimmy op de vlucht voor een gevaarlijke gangster, onderweg pikken ze een stripteasedanseres op, terwijl ze worden gezocht door twee figuren die eruitzien als stormtroopers uit Star Wars die het op een keyboard lijkende wapen terug willen.

‘Van de producers van Stranger Things’, staat op het affiche, maar dat is absoluut geen garantie voor kwaliteit. Integendeel. Kin is bij lange na niet zo onderhoudend als de Netflix-serie Stranger Things, al lenen de makers er wat elementen uit: een synthesizerscore (van de band Mogwai), een sympathieke jonge held en wat vaagheden over buitenaardse zaken. Verder is het allemaal bedroevend, van de slecht geschreven rollen en de clichématige dialogen tot de groteske gangster (een schmierende James Franco) die van Joni Mitchell houdt. En dan de moraal: Eli leert van zijn vader dat stelen niet mag, maar mensen neermaaien is blijkbaar oké.

    • André Waardenburg