‘Otto e mezzo’: Fellini’s schitterende verwarring

Otto e mezzo Misschien de beste en zeker de meest invloedrijke film van Federico Fellini is nu terug in de bioscoop. De Italiaanse meester leerde de film om ‘ik’ te zeggen.

Beroemd regisseur Guido Anselmi (Marcello Mastroianni) heeft zorgen in Fellini's Otto e mezzo (1963).

In april 1963 was Otto e mezzo, de nieuwe film van Federico Fellini (1920-1993), voor het eerst buiten Italië te zien, op het filmfestival van Cannes. Ook aanwezig op dat festival was een jonge Poolse regisseur, die zojuist zijn eerste film, Het mes in het water, had afgeleverd: Roman Polanski. Volkomen ondersteboven kwam Polanski na de vertoning van Otto e mezzo in Cannes naar buiten gestrompeld: „Otto e mezzo kwam over me heen als een openbaring. De film had alles waarvan ik bij cinema had gedroomd, zowel emotioneel als visueel.”

Polanski is niet de enige regisseur die in de ban is geraakt van Otto e mezzo; vanaf deze week in een gerestaureerde versie opnieuw te zien in de bioscoop. Ook filmmakers als Martin Scorsese en Francis Coppola, David Lynch en Woody Allen, Charlie Kaufmann en Paolo Sorrentino zijn verklaarde bewonderaars van de film.

Otto e mezzo is een film over een film en gaat over de beroemde regisseur Guido Anselmi (Marcello Mastroianni). Hij worstelt met zijn onzekerheden, neuroses en creatieve blokkades, terwijl de wereld wacht op zijn volgende meesterwerk. Guido trekt zich terug in een kuuroord om inspiratie op te doen, maar zijn producenten, zijn crew, zijn minnares en zijn echtgenote, journalisten en acteurs achtervolgen hem daar en blijven hem op de huid zitten.

Niet zo verwonderlijk misschien dat Otto e mezzo in de smaak valt bij andere filmmakers. Wat kan een filmregisseur meer interesseren dan een film over zijn eigen vak en zijn eigen problemen? Dat Fellini heel wat van zijn eigen sores van dat moment aan zijn personage Guido heeft meegegeven, is evident. Fellini had zojuist de grootste hit van zijn carrière gemaakt, La dolce vita (1960). De wereld lag aan zijn voeten. Hij kon elke film maken die hij wilde maken, voor elk gewenst budget. Maar waarover die volgende film moest gaan? Geen idee.

Uiteindelijk besloot Fellini om zijn eigen depressie en zijn eigen persoonlijke en creatieve worsteling tot thema van een film te maken: zijn lethargie, obsessies met vrouwen, angstdromen, jeugdherinneringen, katholiek schuldgevoel over zijn ontrouw en zijn onuitroeibare neiging om confrontaties uit de weg te gaan.

Ontsnappingstruc

Dat alles resulteerde in een fraaie paradox: een briljante film over het maken van een mislukte film. Alleen een regisseur die zo succesvol was als Fellini begin jaren zestig, krijgt de kans om zo’n persoonlijke film te maken. Fellini stond naar eigen zeggen vooral „een eerlijke film” voor ogen, over zijn werkelijke beslommeringen; film als een persoonlijke ‘stream of consciousness’. Maar tegelijk maakte Fellini zijn eigen problemen zo tot fictie, tot droom en spel. Dat was misschien wel zijn grootste ontsnappingstruc. De film lijkt weliswaar chaotisch en associatief van opzet, maar ondertussen blijft Fellini soeverein aan de touwtjes trekken. Otto e mezzo is zelf geen ijdele of narcistische film, maar een film over ijdelheid, narcisme en leegte; een doorslaggevend verschil.

Zoiets was nog niet eerder vertoond, maar is daarna wel vaak nagedaan. Of Otto e mezzo Fellini’s beste film is, daarover valt te twisten. Maar dat Otto e mezzo zijn meest invloedrijke film is, is duidelijk. Na Fellini maakte François Truffaut zijn eigen film over het maken van een film: La nuit américaine (1973), met zichzelf als veelgeplaagd regisseur in de hoofdrol. Woody Allen grijpt direct terug op Otto e mezzo in Stardust Memories (1980). Die film gaat over een regisseur (Allen) die een festival bezoekt van zijn eigen films, is gedraaid in zwart-wit en bevat ook Fellini-achtige droomscènes. Regisseur en choreograaf Bob Fosse tekende met het door Otto e mezzo geïnspireerde All That Jazz (1979) voor een autobiografische film over zijn leven en carrière. De grappigste film over het maken van een film is de Amerikaanse cultfilm Living in Oblivion (1995) van Tom Dicillo. Die film eindigt niet voor niets met een lange droomscène; een hommage aan Fellini.

Geen van die films kan echt tippen aan wat Fellini voor elkaar kreeg. Een film maken is op zich een tamelijk monotoon, vaak frustrerend proces, met voortdurende herhalingen; een probleem dat Fellini zelf in Otto e mezzo handig omzeilde door Guido helemaal niet aan zijn film te laten toekomen, tot op het laatste moment. Maar Otto e mezzo is ook een vruchtbare bodem gebleken voor autobiografisch geïnspireerde films over het eigen kunstenaarschap – en niet per se over het maken van films. Dat levert interessantere films op.

Ingmar Bergmans meesterwerk Het uur van de wolf (1968) is in ieder geval voor een deel een antwoord op Otto e mezzo van zijn vriend Fellini. Die film is een nachtmerrie-achtige bespiegeling van Bergman op zijn eigen scheppingsdrang, al is de hoofdpersoon – Johan Berg – een schilder. Ook de ambitieuze horror van mother! (2017) van Darren Aronofsky bevindt zich in de schaduw van Otto e mezzo. In de film van Aronofsky, die dweept met Fellini, staat een personage genaamd ‘De Dichter’ (Javier Bardem) zijn aanvankelijk innig gekoesterde muze (Jennifer Lawrence) naar het leven.

Toch blijven zulke directe autobiografische films zoals Otto e mezzo, die een geraffineerd spel spelen met fictie en werkelijkheid, schaars. Dat komt waarschijnlijk ook gewoon doordat zulke films moeilijk financiering kunnen vinden. Je hoort de bezwaren van potentiële geldschieters al meteen: waarom zou de wereld zitten te wachten op de persoonlijke trammelant van de regisseur?

Dat bezwaar komt overigens ook al naar voren in Otto e mezzo zelf. De filmcriticus Carini valt Guido voortdurend lastig met snerpende kritiek; totdat Guido hem in een dagdroom door een assistent laat opknopen. Fellini was er overigens wel beducht voor dat zijn film gereduceerd zou worden tot louter autobiografie. „De film gaat over huwelijksproblemen”, bromde hij. „Maar ik ben natuurlijk niet de enige persoon op de wereld die worstelt met het huwelijk.”

Vader van de ‘autofictie’

De meeste invloed heeft Otto e mezzo misschien gehad op documentaires. In de documentaire is de persoonlijke en autobiografische film die direct verslag doet van het leven van de maker een genre op zich geworden. Dat geldt ook voor bekentenis-films waarbij onduidelijk is waar de feiten ophouden en de fictie begint; een genre dat wel wordt aangeduid met de term ‘autofictie’. Fellini staat aan de bron daarvan.

O ja, die wonderlijke titel. Fellini kon niet op een goede filmtitel komen en was ontevreden over zijn werktitel La bella confusione (‘De schitterende verwarring’). Uiteindelijk vernoemde hij de film simpelweg naar de volgorde van films in zijn oeuvre. Enkele korte films meegerekend was Otto e mezzo zijn werk nummer 8,5. Er bestaat ook een theorie dat Fellini een toespeling heeft willen maken op de tijd dat hij als kind altijd naar bed moest: om half negen. Op dat tijdstip begon hij te dromen. Maar dat kan ook fictie zijn.

Otto e mezzo. Regie: Federico Fellini. Met: Marcello Mastroianni. Gerestaureerde versie. Te zien in Filmhallen, Amsterdam en Forum, Groningen. Daarna nog te zien in Movies, Amsterdam en Dordrecht.
    • Peter de Bruijn