Opinie

    • Marjoleine de Vos

Waar is het leven dat je laat wegglippen? Hier!

Wandeling met vrienden over het strand. Gesprekken, over alles, goden en mensen, films en gedichten, broers en moeders. Af en toe stond iemand stil, als-ie iets wilde benadrukken of heel duidelijk uiteenzetten. Dat ging vanzelf, dat stilstaan en net zo natuurlijk werd daarna het lopen hervat.

Later zag ik, terugkijkend, de serie van Adriaan van Dis over boeddhisme. Een oudere boeddhistische monnik – of is het ‘non’ als het een vrouw is? dat klinkt zo raar katholiek – zei, toen Van Dis naast haar lopend iets wilde zeggen dat hij stil moest zijn. Het is óf lopen, óf praten. Niet alle twee tegelijk. Van Dis giechelde dat hij zich een stoute schooljongen voelde maar daar hoefde de monnik niet eens om te glimlachen, ze wandelde door, langzaam, met veel aandacht.

Later zagen we hele groepen mensen, westerse tobbers, zoekers en verlangers, in diepe stilte uiterst traag over een terrein wandelen en ook door een straat in Laren. Je kunt uiteindelijk overal in stilte wandelen, en meestal zie je het niet als iets bijzonders. Maar dat komt waarschijnlijk omdat je dan, ik wel althans, gewoon maar loopt, soms om je heen kijkend, soms in je kop kijkend, vaak vergetend dát je loopt en dat is dan juist zo fijn – de voeten bewegen, het hoofd is vrij. Om niets te doen of juist om van alles maar door zich heen te laten gaan, van het zoeken naar een formulering tot ‘niet vergeten straks S. even te bellen’.

Maar zo doet de boeddhist het niet: het gaat erom alles met aandacht te doen. Als je loopt, loop je. Als je praat, praat je.

In een boeddhistisch oord in Frankrijk sprak Van Dis met een Fransman die MS bleek te hebben en die zijn leven onder ogen wilde zien. Hij zei: „Ik ben zoveel van het leven kwijtgeraakt in het verleden. Ik zat altijd in mijn gedachten, daardoor verloor ik het leven zelf.”

Waarschijnlijk is dat ook wat de monnik bedoelde. Niet steeds iets anders doen, dan mis je het ogenblik, steeds weer, al die ‘nu’s’ die je leven uitmaken.

Het klinkt op een of andere manier vanzelfsprekend en tegelijkertijd weet ik het nooit zo. Want waarom kan het ‘nu’ niet zijn dat ik buiten loop en nadenk over wat ik wil zeggen? Als ik niet steeds tobberig in mijzelf afdaal – want dat is iets dat eigenlijk elk beetje verstandig mens sterk afraadt – maar nadenk over wat buiten mij is, dan is dat toch ook ‘leven’? Of denken we soms dat écht leven iets anders is?

Lang geleden was ik sterk getroffen door een dichtregel van René Char: „Werkelijk, je loopt bij het leven achter/ Bij het onuitsprekelijke leven.” Ik dacht dat Char precies zei wat ik voelde. Maar later, en nu nog, weet ik niet meer zo goed wat dat onuitsprekelijke leven dat ik blijkbaar steeds niet inhaal dan wel zou kunnen zijn.

Wislawa Szymborska schreef ook eens zoiets: „Ik probeer het leven te bevallen/ het te vleien, weten wat het wil”. Een vriend vond dat destijds, toen ik het enthousiast citeerde, veel te metafysisch. Over welk leven had ik het precies? Waar bevond zich dat?

Ja, goede vraag. Waar bevindt zich dat leven dat je misloopt, veronachtzaamt, tussen je vingers door laat glippen terwijl je een mouw strijkt, de trein neemt, een vlieg naar buiten jaagt, in gedachten maar wat zit te staren?

Het leven, dat was er die dag op het strand, terwijl we onophoudelijk spraken onder de grote wolken, zonvlagen, zeelucht, voortdurend en volop bij.

Marjoleine de Vos is redacteur van NRC.
    • Marjoleine de Vos