De beloftes op Prinsjesdag zijn weinig waard

Koopkracht en arbeidsmarkt Een doorsneehuishouden gaat er in 2019 1,5 procent op vooruit. Maar in een economie die snel verandert, is dat niet zeker.

Op het Scheveningse strand oefent de Ere-Escorte Cavalerie, maandag, voor Prinsjesdag: een stresstest voor de paarden met rook, vuur en lawaai. Foto Phil Nijhuis/HH

Het is zeker dertig jaar geleden dat de vakbond zo’n hoge looneis stelde: volgend jaar zal de FNV bij alle cao-onderhandelingen een loonsverhoging van 5 procent eisen, maakte de grootste vakbond maandag bekend. In de motivatie van die historische eis klinkt frustratie door: „Werkenden hebben veel te weinig meegedeeld in de economische groei.”

Het valt tegen in hoeverre Nederlanders erop vooruitgaan, constateren ook economische instituten als De Nederlandsche Bank. De lonen stijgen wel, maar minder dan voorspeld. Datzelfde geldt voor de koopkracht: hoeveel mensen werkelijk te besteden hebben.

Voor de derde Prinsjesdag op rij zal het kabinet zelfverzekerd zeggen dat Nederlanders de economische groei volgend jaar eindelijk gaan voelen in hun portemonnee. Het kabinet noemt daar harde cijfers bij: de ‘koopkrachtplaatjes’, uitgesplitst voor werkenden, ouderen, lage en hoge inkomens, mensen met een uitkering en pensioen. Een doorsneehuishouden gaat er volgend jaar met 1,5 procent op vooruit, zegt het kabinet.

Maar wat is die belofte waard? Degene die de plaatjes maakt, het Centraal Planbureau (CPB), is de eerste om de voorspellingen te relativeren. „Met koopkrachtplaatjes in de hand kun je niet bepalen hoe je eigen portemonnee eruit ziet volgend jaar”, twitterde het CPB maandag. Want: voorspellingen zijn altijd onzeker, het CPB houdt geen rekening met grote individuele veranderingen zoals het vinden van een baan en verschillen tussen huishoudens zijn groot.

Gaat de loontheorie nog wel op?

De afgelopen jaren zijn voorspellingen over lonen (en dus ook koopkracht) nóg onzekerder geworden, zeggen economen. Sinds de crisis is de arbeidsmarkt veranderd, waardoor economen zich wereldwijd afvragen of aloude economische theorieën nog wel opgaan. Vroeger was het simpel: als de economie aantrok en de werkloosheid daalde, moesten bedrijven harder concurreren om schaars personeel. Dus stegen de lonen. Volgens die theorie zouden de lonen harder moeten stijgen dan het geval is. Het CPB moest zijn voorspelling afgelopen jaar naar beneden bijstellen.

Zo simpel is het niet meer, denken economen nu: bijvoorbeeld doordat werkenden steeds meer moeten concurreren met werknemers in het buitenland en met robots en computers die hun werk overnemen. En het vaste contract wordt schaarser, waardoor werkenden – en ook vakbonden – eerst hun best doen om een vaste baan te bemachtigen en pas daarna over een loonsverhoging beginnen.

Ook de FNV benadrukte maandag: het vaste contract staat voor ons op één. De bond wil dat er volgend jaar honderdduizenden vaste banen bijkomen. „Als dat lukt”, zegt FNV-bestuurslid Zakaria Boufangacha, „hebben we daarna ook een sterkere positie om hogere lonen te eisen.”

Hoe die nieuwe arbeidsmarkt werkt, weten economen nog niet. „Economen moeten hun denkkader aanpassen aan de nieuwe werkelijkheid. Daar zijn we nog niet uit”, zegt Barbara Baarsma, hoogleraar economie en directeur kennisontwikkeling bij de Rabobank. „Dus Rutte, reken je niet rijk. Als mensen achteraf zien dat de koopkracht minder stijgt, voelen ze zich besodemieterd.”

Illustratief voor de onvoorspelbaarheid zijn de koopkrachtcijfers over 2017 die het CBS vorige week bekendmaakte: een doorsneehuishouden kreeg er maar 0,5 procent bij. Erg weinig, gezien de economische groei dat jaar: 3,2 procent. Meer dan 200.000 mensen vonden een baan: een van de grootste koopkrachtsprongen die een mens kan maken. Het CBS heeft er ook geen goede verklaring voor. „Je zou een hogere stijging verwachten”, zegt hoofdeconoom Peter Hein van Mulligen.

Onderhandelingsmacht nodig

Staat het kabinet dan helemaal machteloos als het om de lonen en koopkracht gaat? Zeker niet, zegt Steven Brakman, hoogleraar economie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Maar dan moet het kabinet meer doen dan alleen de koopkrachtplaatjes van volgend jaar repareren. En oplossingen bedenken die de onderhandelingsmacht van werkenden structureel verbeteren. Brakman: „Zoals een subsidie voor mensen om zich alvast bij te scholen voordat ze werkloos worden.” Ook Baarsma pleit voor structureel beleid: „De lastenverlaging die het kabinet nu doorvoert is maar tijdelijk en stimuleert mensen niet om meer te gaan werken. Dat is zonde van de moeite.”

    • Marike Stellinga
    • Christiaan Pelgrim