Jurk van Syriër, hoed van Groningse

Kleding op Prinsjesdag Sommige Kamerleden maken met hun outfit op Prinsjesdag een statement. Bakri Fattouh uit Aleppo maakte de satijnen jurk van Stieneke van der Graaf.

Op het Binnenhof: Tweede Kamerlid Stieneke van der Graaf (ChristenUnie) en de Syrische kleermaker Bakri Fattouh die haar jurk voor Prinsjesdag ontwierp en maakte. Foto Olivier Middendorp

Haar partijgenoot Carla Dik-Faber weet elke Prinsjesdag weer de aandacht te trekken met een in het oog springende outfit-met-boodschap. Op het eerste gezicht is de jurk die ChristenUnie- Kamerlid Stieneke van der Graaf heeft laten maken minder uitgesproken: een klassiek, elegant model met boothals, strikceintuur en driekwart mouw. Toch is ook de outfit van Van der Graaf, voor wie dinsdag de eerste Prinsjesdag als Kamerlid is, een statement. De blauwe satijnen jurk is gemaakt door Bakri Fattouh, een kleermaker uit Aleppo die sinds anderhalf jaar in Nederland woont, en daarmee een symbool van „perspectief en een nieuw begin”: „Vluchtelingen als Bakri zijn nieuwe Nederlanders”, zegt ze. „Wij leven hier samen en kunnen samen iets moois tot stand brengen.” De bijpassende hoed is gemaakt door Hetty Krook uit Groningen.

Fattouh is met zijn vrouw Ahed en drie van zijn vier kinderen naar de Tweede Kamer gekomen om over de jurk te vertellen. Ook aanwezig: Mirjam Mack van Bellen, het ChristenUnie-raadslid uit Teylingen dat het contact tussen Van der Graaf en Fattouh tot stand bracht – haar zoontje en zijn dochtertje zitten bij elkaar in de klas. Fattouhs 19-jarige zoon Abdulkader, die drie jaar in Nederland is, fungeert als tolk. Abdulkader woonde een jaar bij een oom in Turkije toen hij per boot naar het Griekse eiland Kos ging. Vervolgens reisde hij over land door naar Nederland.

Hij verbleef met elf andere jongens zonder ouders in Tilburg, tot werd ontdekt dat hij botkanker had. Omdat het te zwaar werd om steeds op en neer naar het Leidse ziekenhuis te reizen waar hij werd behandeld, verhuisde hij naar een hospice in Leiden. „De eerste week nadat ik het gehoord had, was ik verdrietig”, zegt hij. „Daarna dacht ik: als ik dood moet gaan, ga ik dood, en was ik weer als iedereen. Opstaan, koffie drinken, grapjes maken.” Toen zijn ouders en broers en zus aankwamen op Schiphol – door de ziekte kon de rest van het gezin versneld vanuit Turkije naar Nederland komen – had hij een muts over zijn kale hoofd gedaan zodat zijn moeder niet meteen zou schrikken: haar was nog niet verteld dat hij kanker had.

Rondleiding in Tweede Kamer voor Fattouh en zijn gezin. Foto Olivier Middendorp

Fabriekje voor vrouwenmode

Bakri Fattouh had voor de oorlog een fabriekje dat vrouwenmode maakte en waar zo’n vijftien mensen werkten, en hij maakte gelegenheidskleding op maat. De jurk voor Van der Graaf is zijn eerste in zes jaar – uitgezonderd de jurkjes die hij als vrijwilliger in elkaar heeft gezet bij een stichting die kleding maakt voor Afrikaanse kinderen.

Eind augustus was pas de eerste afspraak met Van der Graaf. De omstandigheden waaronder de jurk gemaakt moest worden, waren verder ook niet ideaal. Het patroon maakte hij van krantenpapier, hij had geen snijtafel, kon in het dorp waar hij woont geen blinde rits vinden en het lukte hem op zijn werkplek bij de stichting niet om Franse naden te maken. „Het had netter en beter gekund”, zegt hij over de perfect passende, geheel gevoerde jurk.

Het gezin Fattouh is van plan in Nederland te blijven. Abdulkader, met wie het weer goed gaat, wil een hbo-opleiding volgen, Bakri hoopt een naaiatelier te openen, waarmee hij ook andere vluchtelingen aan een baan wil helpen. „In Syrië werken veel mensen als schoen- en kleermaker”, zegt hij. „Maar omdat bijna alle kleding die in Nederland wordt verkocht uit het buitenland komt, kunnen ze hier niet aan de slag.”

    • Milou van Rossum