Opinie

    • Lotfi El Hamidi

Het verdriet van de Jemeniet

‘Ik heb geen verhaaltjes”, zegt hij meteen vooraf. Geen verhaal over een levensbedreigende oversteek in een gammel bootje of een barre tocht dwars door Midden-Europa. Faris Alqubati (31) vluchtte vanuit Jemen „gewoon met het vliegtuig” naar Nederland. Een luxe die slechts is voorbehouden aan een select groepje in een van de armste landen ter wereld.

We hebben afgesproken op een terras in de Utrechtse wijk Oog in Al, aan een kade waar het Amsterdam-Rijnkanaal en het Merwedekanaal samenkomen. Alqubati is geboren en opgegroeid in de Jemenitische hoofdstad Sana’a en werkte daar in de logistiek. In 2011, toen Jemen meegenomen werd in de orkaan van de Arabische Lente, zag hij het land snel afglijden. Twee jaar later besloot hij te vertrekken.

De asielprocedure duurde lang. Te lang, vond hij. De Nederlandse overheid had geen officieel beleid voor asielaanvragen van Jemenieten. In 2016 organiseerde hij samen met een groep lotgenoten een demonstratie in Den Haag om aandacht te vragen voor hun zaak. In 2017 ontving hij eindelijk zijn verblijfsvergunning. Sindsdien ontfermt hij zich over de ongeveer 150 Jemenieten die sinds het uitbreken van de burgeroorlog drie jaar geleden hun toevlucht zochten in Nederland.

Hij noemt Jemen een „vergeten oorlog”. Ik wijs hem erop dat de kwaliteitsmedia toch wel enige aandacht besteden aan de situatie. Maar het is niet genoeg, zegt hij. Hij noemt het de grootste humanitaire ramp ter wereld. „Ik wed dat vier op de vijf mensen Jemen niet op de kaart kunnen aanwijzen.”

Jemen beklijft niet bij het grote publiek. Te ver, te bruin, te islamitisch, denk ik cynisch. Of zijn we gewoon oorlogsmoe, murw geslagen door al het leed dat we de afgelopen jaren voorbij hebben zien komen. Beelden van uitgemergelde kindjes die in de armen sterven van hun moeders? Ik ben zeker niet de enige die al bij de aankondiging van de ‘schokkende beelden’ wegzapt. Uiteraard zullen we straks gul geven; Giro555 als collectieve aflaat voor onze schuldgevoelens.

Wie ik niet op cynisme kan betrappen, is Alqubati zelf. Hij is ervan overtuigd dat hij ooit terugkeert. „Ik heb geluk gehad en voel dus de verantwoordelijkheid om iets terug te doen. Groot of klein, ik zal onderdeel zijn van de verandering in Jemen.”

Ons gesprek blijft lange tijd aan de oppervlakte. Aan het einde wil hij toch iets persoonlijks kwijt. „Een neef van mij is in 2015 doodgeschoten, het aantal vrienden dat ik heb verloren kan ik niet tellen. Het doet pijn als ik terugdenk aan al die jongens die vol dromen zaten, maar niet de kans hebben gehad om er werk van te maken.”

Hij staart even voor zich uit. Een zucht. Die blik komt me bekend voor. Het is de blik van de vluchteling die zich schaamt dat hij het heeft gered.

Correctie (17 september 2019): In een eerdere versie van dit artikel was de leeftijd van Faris Alqubati 30 jaar. Dat is aangepast in de juiste leeftijd: 31 jaar.

Lotfi El Hamidi (L.elHamidi@nrc.nl @Lotfi_Hamid) schrijft op deze plek een wisselcolumn met Tom-Jan Meeus
    • Lotfi El Hamidi