De 6 problemen die niet aan bod komen op Prinsjesdag

Thema’s Welke thema’s ontbreken in het debat over de Miljoenennota? Wetenschappers over de zes belangrijkste vraagstukken die in de stortvloed aan plannen worden vergeten.

Leden van het Cavalerie ere-escorte oefenen op het strand voor Prinsjesdag. Foto Lex van Lieshout/ANP

Zullen de plannen die op Prinsjesdag worden gepresenteerd de ‘Kim Putters-toets’ doorstaan? Putters, directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, mocht tijdens de kabinetsformatie een paar keer langskomen om te vertellen over de groeiende ongelijkheid in de Nederlandse samenleving. ChristenUnie-leider Gert-Jan Segers zei later dat alle bewindslieden op hun ideeën de ‘Kim Putters-toets’ zouden moeten toepassen. Ze zouden zich moeten afvragen: „Verkleint dit de kloven die ons verdelen?”

Zo’n groter doel kan al snel op de achtergrond raken in het politieke debat. Zeker tijdens de Algemene Politieke Beschouwingen, het traditionele debat over de Miljoenennota dat woensdag begint. Dan gaat het vaak over losse cijfers, zoals koopkrachtplaatjes, de dividendbelasting en de lonen in de publieke sector.

Als je dat grotere doel, het verkleinen van de tegenstellingen, serieus neemt, zoals het kabinet zich heeft voorgenomen, waarover zou het politieke debat dan eigenlijk moeten gaan deze week? Dit zijn volgens wetenschappers de belangrijkste problemen die moeten worden opgelost.

Lees ook: Tijd voor een nieuw sociaal contract
  1. Ongelijke kansen in het onderwijs

    Hoogopgeleiden staan er in veel opzichten beter voor dan laagopgeleiden, bleek vorige week uit het SCP-rapport De Sociale Staat van Nederland 2018. Adjunct- directeur Rob Bijl, een van de auteurs, zegt: „Een hogere opleiding werkt later door op heel veel terreinen: je kans op werk, een goede woning, je gezondheid en zelfs het aantal jaren dat je leeft. Het zou mooi zijn als in het politieke debat meer werd gesproken over die samenhang.”

    Nederland is meer een ‘meritocratie’ geworden, zegt hij. „De oude standenmaatschappij, waarbij het kind van een havenarbeider nooit verder kwam in het onderwijs, bestaat niet meer. Het idee is: als je je best doet, kom je er wel.” Toch krijgen kinderen van laagopgeleiden en migranten niet precies dezelfde kansen als kinderen van hoogopgeleide autochtonen. „Kinderen van laagopgeleiden krijgen vaker een laag schooladvies, ook als ze even slim zijn. Maar hun ouders stappen niet zo snel naar school om een ander advies te vragen. En die hebben ook geen geld om huiswerkbegeleiding te betalen.”

    De oplossing ligt volgens onderwijssocioloog Thijs Bol (Universiteit van Amsterdam) in kinderen langer bij elkaar houden, op brede scholen. „Om iedereen echt dezelfde kansen te geven, zouden kinderen minder vroeg ingedeeld moeten worden op verschillende schoolniveaus. Kinderen worden nu al op hun twaalfde van elkaar gescheiden, zo groeien ze op in verschillende werelden. Ze komen elkaar zelfs niet meer tegen bij de gymnastiekles. Het kabinet zou van dit probleem een speerpunt moeten maken in zijn beleid.”

  2. Laaggeletterdheid

    We moeten ook weer niet denken dat iedereen in Nederland een hogere opleiding moet doen, zegt Bijl. „Verschillen zijn niet erg, als mensen maar niet worden uitgesloten.” Beleidsmakers moeten er volgens hem rekening mee houden dat niet alle mensen hetzelfde kunnen. „De samenleving wordt steeds complexer en verandert snel. Veel mensen kunnen dat niet bijbenen.” Hij wijst ook op de 2,5 miljoen laaggeletterden in Nederland. „Daar is onze maatschappij niet op ingericht, daar zou de politiek meer over mogen nadenken.”

  3. Onzekerheid op de arbeidsmarkt

    Godfried Engbersen, hoogleraar sociologie aan de Erasmus Universiteit en lid van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbeleid, ziet een „winnaars-en-verliezers-samenleving” ontstaan, ook wel een „tweederdesamenleving”. Een deel van de ongeveer 1 miljoen zzp’ers op de arbeidsmarkt behoort tot de verliezers. Dat zijn niet allemaal ict’ers die anderhalve ton verdienen, maar ook werknemers die tijdens de crisis hun vaste baan zijn verloren. „De overheid heeft een stapje teruggedaan. De sociale zekerheid is versoberd. En het perspectief op het verwerven van een vaste baan is voor heel veel mensen aan het verdwijnen. Daardoor is het moeilijker geworden je leven te plannen. Dat levert onbehagen op. Zeker als de wereld om ons heen in brand staat.”

    Het zijn volgens hem niet alleen de laagopgeleiden die verliezen, ook de middenklasse heeft het moeilijk. „Ik gebruik vaak de metafoor van de wielrenner: je moet blijven doortrappen, anders val je om. Er moet harder gewerkt worden om een zelfde welvaartspositie te behouden.” Het politieke debat moet wat hem betreft gaan over „hoe je mensen wat meer zekerheid kan bieden zonder dat we terugkeren naar de oude verzorgingsstaat die verzorgde van de wieg tot het graf. De overzichtelijke samenleving van na de Tweede Wereldoorlog zal niet meer terugkomen, maar je moet toch weer nieuwe ankers creëren. Niet alleen voor het werk, maar ook voor het onderwijs, de zorg en de sociale zekerheid.”

  4. Langer doorwerken

    „Ik geef toe: het is een beetje een belegen kreet geworden”, zegt Daniel van Vuuren, hoogleraar economie in Tilburg en werkzaam voor het Centraal Planbureau, „maar een leven lang leren, dat is wel superbelangrijk voor de toekomst. Veertig jaar bij dezelfde werkgever in dienst blijven, dat is een beetje passé. Maar we moeten wel langer blijven doorwerken, omdat we gemiddeld ouder worden.” Over dat langere loopbaanperspectief voor flexkrachten moet volgens hem in de politiek worden nagedacht. „Omscholing, bijscholing, nascholing, dat is allemaal nodig om productief te blijven tot aan je pensioen. Ook voor mensen zonder vaste baan moet iets worden bedacht, bijvoorbeeld een individueel potje voor opleidingen tijdens de loopbaan.”

  5. Ongelijkheid tussen inkomens

    Volgens Paul de Beer, hoogleraar arbeidsverhoudingen aan de UvA, is de tweedeling in de maatschappij groter geworden doordat er meer huishoudens zijn gekomen waar beide partners werken. „Huishoudens die moeten rondkomen van één inkomen zijn financieel achterop geraakt. Denk aan een echtpaar waarvan de vrouw altijd thuis was met de kinderen. Vroeger kreeg zo’n gezin compensatie via de belastingen, maar dat is afgeschaft. Ook huishoudens die moeten leven van een uitkering zijn relatief armer geworden, want de uitkeringen zijn achtergebleven. Dat zijn groepen die zich in de steek gelaten voelen door de politiek.” Maar dit onderwerp staat momenteel niet hoog op de politieke agenda, zegt De Beer. „Alleen de ChristenUnie had in haar verkiezingsprogramma iets staan over de belastingaftrek voor alleenverdieners.” Toch is het een onderwerp waar de politiek goed over na moet denken, vindt hij. „Als je de inkomensongelijkheid verkleint, kun je daarmee veel ressentiment in de samenleving voorkomen.”

  6. De zorg voor ouderen

    De langdurige zorg en de mantelzorg zijn geen onbesproken onderwerpen in het politieke debat, zeggen de wetenschappers. Maar ze willen wel dat er een misverstand uit de discussies verdwijnt: dat burgers niet meer bereid zouden zijn om voor elkaar te zorgen. „Als je vergelijkt binnen Europa, dan zie je dat er in Nederland nog steeds veel vrijwilligerswerk en mantelzorg worden verricht”, zegt Bijl van het SCP. „Het is een mythe dat we in de jaren vijftig zoveel meer naar elkaar omkeken.” Het probleem is vooral: kinderen wonen steeds vaker ver van hun ouders vandaan. En vrouwen zijn meer gaan werken. „In sommige gebieden, zoals Zeeland, wonen straks in verhouding veel ouderen en maar een beperkt aantal mensen dat voor hen kan zorgen.”

    Misschien biedt de migratie, die in de politiek tot nu toe vooral als een probleem wordt benaderd, hier de oplossing, zegt Joop de Beer, themaleider vergrijzing en levensduur bij het Nederlands Interdisciplinair Demografisch Instituut. „In de zorg zal er een blijvende vraag zijn naar arbeidskrachten. Dan komen mensen met een migratieachtergrond vanzelf ook aan het werk. En dat is dan meteen weer goed voor de integratie.”

    • Claudia Kammer