CPB oneens over Hoekstra’s budgetbeleid

Miljoenennota

Het kabinet legt volgens het CPB onvoldoende buffers aan voor slechte economische tijden.

Minister Wopke Hoekstra van Financiën (CDA). Foto Bart Maat / ANP

Het Centraal Planbureau (CPB) denkt fundamenteel anders over de gezondheid van de overheidsfinanciën dan het kabinet. Waar minister Wopke Hoekstra (Financiën, CDA) in zijn uitgelekte Miljoenennota 2019 omzichtig beschrijft dat het „voor de overheid onverstandig is economische meevallers uit te geven”, gaat het CPB daar lijnrecht tegenin. Het planbureau schrijft onomwonden, en niet voor het eerst, dat het kabinet-Rutte III „expansief begrotingsbeleid” voert. Dat blijkt uit de Macro-economische verkenning (MEV) die deze dinsdag bij de Miljoenennota verschijnt. Delen van de MEV zijn door NRC ingezien.

Op het eerste gezicht lijkt het behoorlijk goed te gaan met de schatkist. De staatsschuld daalt komend jaar verder, met 6 miljard euro naar 49,1 procent van het bruto binnenlands product, ruim onder de Europese norm van 60 procent bbp. En het begrotingssaldo van plus 1 procent voldoet ruimschoots aan de norm, die op min 3 procent ligt.

Over dat positieve saldo is het kabinet ook enthousiaster dan het CPB. Zo vermeldt de Miljoenennota dat 2019 „het vierde opeenvolgende jaar” met een begrotingsoverschot wordt. „Zo veel overschotten op een rij heeft Nederland in de afgelopen 45 jaar niet gehad”, schrijft Hoekstra. Het CPB is voorzichtiger: „Voor het vierde jaar op rij is er geen begrotingstekort”. Dat laatste klopt, want in 2016 was er strikt genomen geen begrotingstekort, maar evenmin een overschot, wat Hoekstra stelt. Het saldo was dat jaar 0,0 procent.

Kernpunt van het CPB is dat het, net als talloze economen en hoge ambtenaren al eerder deden, blijft hameren op zogenoemd anticyclisch begrotingsbeleid. Om te voorkomen dat je in economisch slechte tijden pijnlijke bezuinigen en lastenverzwaringen moet doorvoeren die economisch herstel in de weg staan, moet je in een gunstige conjunctuur juist een rem op de uitgaven zetten. Terwijl minister Hoekstra zegt dat te doen, ziet het CPB juist dat door de vele extra investeringen (onder meer in zorg en defensie) het kabinet „minder buffers opbouwt voor magere jaren”. Per saldo verslechtert dan ook de robuustheid van de overheidsfinanciën: het structurele begrotingssaldo, geschoond voor incidentele meevallers, daalt flink: van plus 0,8 vorig jaar tot min 0,4 procent in 2019, omgerekend ruim 9 miljard euro.

    • Philip de Witt Wijnen