Alleen op de wereld in Manhattan

Vanuit Princeton, New Jersey, schrijft over wat haar opvalt. Vandaag: daklozen die de veiligheid van de straat kiezen boven de opvang.

‘Het went nooit”, zegt de vriendin met wie ik door New York haar dagelijkse route van huis naar kantoor loop. Ze bedoelt de zwervers die als schipbreukelingen lijken te zijn aangespoeld. Sommigen zijn volledig in zichzelf gekeerd, anderen zoeken juist oogcontact. Hun blik vol wanhoop, of misschien nog erger, leeg.

Ze slapen languit op de stoep of hangen tegen een winkelpui. Ziek, vuil, murw nemen ze hun karige plekje op aarde in, of het nu regent of sneeuwt. Het is of je in een roman van Dickens bent beland. Maar dan recht voor de duurste winkels ter wereld. Hoog boven ons torenen appartementen van tientallen miljoenen dollars.

Hun noodkreet staat op een stukje karton. Geld nodig voor treinkaartje. Oorlogsveteraan. Honger. Voor ons op de stoep ligt een vrouw, een meisje nog. Er ligt geen kartonnetje. Dat hoeft ook niet. Haar handen liggen op haar zwangere buik.

Ik vind het moeilijk aan te zien zoals zij daar ligt. Dit meisje moet ergens heen worden gebracht waar mensen zich bekommeren om haar en haar baby. Maar iedereen loopt haar voorbij.

Maar wat kun je doen, als eenling? Alleen al in New York zijn zo’n 62.000 daklozen, onder wie meer dan 22.000 kinderen. Niet meegeteld het ongeboren kindje van deze vrouw. Dit is bijna het dubbele van tien jaar geleden. Vele van de opvanghuizen zijn levensgevaarlijk en mensen kiezen de relatieve veiligheid van de straat.

Mijn vriendin opent haar tas en haalt er een reep uit. Zo’n dure reep voor sporters. Met precies de goede combinatie van eiwit, superfruit, vitamines en mineralen. Ze geeft er een aan de zwangere vrouw. Als die de reep niet aanpakt, legt ze hem naast haar op de grond.

„Je moet eten voor je baby”, zegt ze. De vrouw haalt haar hand van haar buik en schuift de reep een stukje naar zich toe.

We lopen door. „Mijn collega’s en ik doen dit al jaren”, zegt mijn vriendin. Elke ochtend op weg naar ons werk stoppen we een aantal repen in onze tas en delen die uit. Het is niet veel, maar zo doen we tenminste iets.

„Willen mensen de reep wel?”, vraag ik. „Dat zwangere meisje leek er niet echt blij mee.”

„Een kwart hoeft hem niet”, zegt ze. „Ik heb er wel eens een in mijn gezicht gegooid gekregen. Die man wilde geld. Een kwart is onverschillig. De rest is er blij mee.”

„Kijk”, zegt ze even later, „daar hebben we Remi. Althans, zo noem ik hem, naar het jongetje uit het boek Alleen op de wereld. Hij zit hier altijd. Hoe hij echt heet, wil hij niet zeggen. Hij heeft medicijnen nodig, maar die weigerde hij.”

Een tengere jongeman met een fijnbesnaard gezicht zit op een mottig dekentje. De kop van zijn herdershond rust op zijn schoot. Hij klaart op als hij mijn vriendin ziet. Ze geeft hem haar laatste twee repen.

„Mag ik alsjeblieft water voor mijn hond?”, vraagt hij. Ze drukt haar halflege flesje in zijn hand.

Nee, het went nooit.

Reacties naar Pdejong@ias.edu
    • Pia de Jong