Recensie

Hypergeconcentreerde Gergiev op zijn eigen festival

Het Gergiev Festival klonk dit jaar minder Russisch dan voorgaande edities. Maar het klapstuk was Russisch: een vitale wereldpremière van de bejaarde Sofia Goebaidoelina.

Sofia Goebaidoelina was er niet bij, maar de première van haar Liebe und Hass werd een klapstuk op het Gergiev Festival. Foto Roche/Bruno Caflisch

In 1988 debuteerde Valery Gergiev bij het Rotterdams Philharmonisch Orkest, waarvan hij tussen 1995 en 2008 chef-dirigent was. Afgelopen weekend stond dat jubileum centraal in zijn jaarlijkse festival: ‘30 jaar Gergiev en Rotterdam’. Op alomtegenwoordige videobeelden in De Doelen zag je de maestro continu ouder en weer jonger worden. In de zaal zorgde Gergiev, 65 inmiddels, onveranderlijk voor spanning.

Tijdens de laatste edities van het Gergiev Festival lag de focus op Russische klassiekers. Blikvangers waren onder meer marathons van alle pianoconcerten van Rachmaninov (2015) en Prokofjev (2016). De entourage was deze geslaagde en goedbezochte jubileumeditie wederom vertrouwd Russisch (blini en wodka in de foyer), maar de programmering was losser en diverser, met muziek van Wagner, Debussy en Mahler én een gewichtige wereldpremière van Sofia Goebaidoelina.

Lees ook: Gergiev Festival opent sterk maar niet avontuurlijk

Met zijn Orkest van het Mariinsky Theater uit Sint Petersburg speelde Gergiev de Zesde symfonie van Mahler. De rauwe inzet van de openingsmars onderstreepte dat Gergiev geen mahleriaan van het cultiverende, gestileerde type is, maar een voorganger die zijn mouwen opstroopt en direct naar het hart van de manie graaft. In het duistere Scherzo, dat op de rand van desintegratie balanceerde, ontbrak het aan dwingende bezetenheid, waardoor het wat onbevredigend was. Maar over het geheel maakte deze ‘Russische’ Mahler een vitale, gedreven indruk.

Wie wilde weten wat Gergiev tot zo’n wereldwijd gevierd dirigent maakt, kon terecht bij een openbare masterclass. Drie jonge collega’s leidden het Symfonieorkest van het Koninklijk Conservatorium & Codarts in werken van Prokofjev, terwijl Gergiev over hun schouder meekeek. Gergiev bracht zijn geheim terug tot behapbare proporties: leun een beetje richting je solist om de aandacht te sturen, kijk musici van wie je ‘iets’ verlangt indringend aan. En vooral: niet te veel praten.

Lees ook: Goebaidoelina: ‘Haten is persoonlijker geworden’

Liefde en Haat, herzien

Het klapstuk van het weekend was de herziene en uitgebreide versie die Goebaidoelina (1931) speciaal voor het festival maakte van haar oratorium Über Liebe und Hass uit 2016. Destijds had ze te weinig tijd om haar ideeën goed uit te werken, zei ze vorige week in deze krant: nu klopt de architectuur van het werk wél. Über Liebe und Hass bestaat uit vijftien aaneengesloten delen op Duitse en Russische Bijbelteksten. Wegens de gevolgen van een val kon Goebaidoelina de première door het Rotterdams Philharmonisch en het Mariinsky-koor niet bijwonen; voor de pijn van haar afwezigheid schoten woorden tekort, liet ze het publiek in De Doelen via een brief weten.

Goebaidoelina’s Liebe und Hass in de versie van 2016:

Über Liebe und Hass bleek een uitgebeend, bij vlagen betoverd werk van 80 minuten, dat geen tekenen van kwijnende scheppingskracht verried. Vanaf de spaarzame opening droeg het Goebaidoelina’s handtekening: de imposante bas Mikhail Petrenko vertelde streng declamerend hoe Jezus voor ons stierf, tegen een aanzwellende en afnemende achtergrond van gonzende contrabassen en buisklokken. De afwisseling tussen de ‘oerkrachten’ liefde en haat leidde tot contrastrijke, maar geenszins eenduidige muziek. Zo wekte het krioelende koor in het deel ‘O God, schenk ons zuiverheid van hart’ een spookachtige sfeer die deed denken aan Ligeti’s Lux aeterna.

Gergiev, diep over de kersverse partituur gebogen, was hypergeconcentreerd en liet koor en orkest excelleren. Op de woeste kakofonie van Brandende haat (‘Ik haat!’) volgde een magistrale climax in het ‘Gebed voor verlossing’. Na een eenvoudig gebed voor bas en fluisterend koor was er loutering aan het slot, toen een toegetakeld, wijs geworden koraal, ‘O kom, Heilige Geest’, als een feniks van tonale pracht herrees uit de wervelende chromatiek.

Muzikanten van het Rotterdam Philharmoisch over Gergiev:

    • Joep Stapel