Opinie

    • Herman Wals

Red die mooie trafokasten

Amsterdamse School

Stilzwijgend verdwijnen ook de trafokasten van de Amsterdamse School, de laatste erfenis van het geroemde straatmeubilair, uit het straatbeeld, constateert Herman Wals. Wat ervoor in de plaats komt stemt droevig. Daarom: bescherm wat nog over is.

Trafokasten, van linksboven met de klok mee: Meerhuizenplein, 2018; Middenweg; Meerhuizenplein acht jaar geleden (model 1910); Druivenstraat; Keizersgracht. Foto’s Herman Wals

Jarenlang hebben de ontwerpers van de dienst Publieke Werken Amsterdam verrijkt met zorgvuldig vormgegeven bruggen en gebouwen. Het afgelopen jaar verschenen boek Publieke Werken. Hoeksteen van de Amsterdamse School 1915-1935 van Pim van Schaik geeft daar talloze voorbeelden van. Gelukkig is er nog heel veel van de uitgevoerde ontwerpen bewaard gebleven.

Het straatmeubilair van de Amsterdamse School komt er helaas minder goed vanaf, terwijl dat toch ooit ontworpen is als onlosmakelijk onderdeel van de publieke ruimte. Afvalbakken, girobussen, abri’s, telefooncellen, brandmelders – ze zijn allemaal verdwenen. De laatste zichtbare overblijfselen van deze rijke erfenis zijn de onverwoestbare lantaarnpaal PW 24 (door Publieke Werken in 1924 ontworpen), een enkele krul en de gietijzeren trafokasten. Die laatste zijn van de hand van de Amsterdamse Schoolarchitect Pieter Marnette en tussen 1926 en 1928 in productie genomen.

Helaas worden de trafokasten van Marnette stilzwijgend uit het straatbeeld verwijderd. Rond 2010 begon dat me op te vallen en ben ik foto’s gaan maken van hetgeen er nog over was. Dit jaar heb ik dat rondje nog eens gemaakt en moest constateren dat van de 644 trafokasten uit 2010 er inmiddels 103, oftewel 16 procent, afgevoerd zijn door Liander – dat zich als erfopvolger van het GEB niet veel om de geschiedenis van de stad lijkt te bekommeren. Een sprekend voorbeeld is de kast op de Wethouder Frankeweg, waar alleen nog het silhouet van op de muur te zien valt, of de grote trafokast op het Beukenplein.

De historische trafokasten zijn te verdelen in vier hoofdtypen: het kleine, middelgrote en grote model die tot in de jaren 70 in de stad geplaatst werden én het zeldzaam geworden model uit de jaren 10 van de vorige eeuw. Van dat laatste model staan er nog 27 in Amsterdam (één verdwenen sinds 2010) en van de grote kasten 29 (vier verdwenen). Verhoudingsgewijs zijn bij straatrenovaties of nieuwbouwprojecten de meeste kleine kasten verwijderd (29 stuks, er staan er nog 78) en in absolute zin vooral de middelgrote kasten (69 versus 407).

Wat ervoor in de plaats komt stemt droevig: grijze, non-descripte kastjes die zich niets aantrekken van de al dan niet monumentale omgeving waarin ze geplaatst worden. Liander lijkt zich niet te bekommeren om de rijke Amsterdamse traditie om fraai én functioneel straatmeubilair te ontwerpen. Op z’n minst zou het bedrijf een nieuwe kast kunnen laten vervaardigen die goed in het Amsterdamse straatbeeld past en daar een verrijking van betekent. Wat meer onderhoud in de vorm van een regelmatige schoonmaak- of schilderbeurt van de huidige kasten zou trouwens ook geen overbodige luxe zijn.

De trafokasten behoren tot de details die mede de kwaliteit van het straatbeeld bepalen en de gemeenteraad zou moeten beschermen wat er nog van over is. Tot nu toe heeft één kast van de serie 1910, in de Langestraat, het tot gemeentelijk monument gebracht. Breid dat uit, zou ik tot de gemeenteraad zeggen, en ga met Liander in gesprek over het behoud van deze cultuurhistorische erfenis.

Herman Wals, Amsterdam

    • Herman Wals