Hoe de horizon in Zeeland steeds meer verandert

Uitzicht Op de Oosterschelde kun je tien op keer op dezelfde plek varen, zonder dat het één keer zo voelt. Maar de eens ongrijpbare horizon verandert.

De Krabbenkreek, getijdewater tussen Sint Philipsland en Tholen Foto Hans Steketee

In de oude werkhaven van de Neeltje Jans liggen een stuk of tien jachten voor anker. Vroeger kon je hier ook afmeren aan een steiger, maar die is weggehaald. Je hebt de rubberboot nodig om aan land te gaan en dat kan nog maar op één plaats: een zanderige hoek van dit betonnen bassin waar de Oosterschelde van alles bijeen heeft geveegd: plastic flessen, vlechten van gebleekt touw met zeewier, een gebarsten bouwhelm, rugschilden van inktvissen als kleine surfplankjes.

Stap over de rommel aan de vloedlijn en je komt in een merkwaardig gebied. Toen de stormvloedkering af was, in 1986, hebben de waterbouwers zich teruggetrokken, maar niet nadat ze met bulldozers een duinlandschap hadden aangelegd. Daar wonen nu visdiefjes en konijnen. Het getij stroomt vrij in en uit de dokken waar de betonnen pijlers van de dam zijn gebouwd. Het bleef altijd een tussenzone: helemaal natuur werd het nooit, de ingenieurs konden niet al hun sporen uitwissen.

Ik kwam er graag; de afgelopen vijftien jaar gooiden we er bijna elke zomer wel een keer het anker uit. Bij de werkschuit in de mosselkwekerij – hangmosselen gedijen ook prima in de bassins – gaven ze je voor bijna niks een maaltje mee, met onder de toonbank een fles koude rosé. Die schuit is ook verdwenen en de mosselmannen zijn een stukje verderop een restaurant begonnen, waar het nu altijd druk is.

Maar de grootste verandering zijn de windmolens. ‘Windpark Bouwdokken’ heet het officieel en sinds april is het in bedrijf: zeven molens, met een mast zo hoog als de Utrechtse Domtoren, de drie rotorbladen nog hoger; veel groter heb je ze niet. Eén omwenteling per negen seconden is een wiek die elke drie seconden een schaduw over je heen zwiept. Hun ritmische gesuis – het is meer sissen eigenlijk – overstemt de wind. Het is geen agressief geluid; er bestaan ook windmolens die nijdig zoemen. En als ik eerlijk ben, vind ik die langzame wieken op hun enorme grijze zuilen niet eens heel lelijk. Maar die hoge masten – op elke hoek van de oude dokken staat er eentje – sluiten dit lage, lege landschap af. Ze maken van de Neeltje Jans een kamer. Overal in Zeeland schieten de molens omhoog. De horizon is niet meer wat hij geweest is.

Water stroomt

De Oosterschelde was plat, alle beweging horizontaal. Het water dat twee keer per dag vanuit de Noordzee naar binnen stroomt tot aan Bergen op Zoom en dan weer terug, overtrekkende wolken. Als je er naar het westen zeilt, zakken de contouren van het land in het oosten achter de horizon en andersom. Dan lijkt het water nog weidser.

De stormvloedkering met
de windmolens gezien vanaf Neeltje Jans
Foto Charlotte Bogaert/Hollandse Hoogte

Als je er wat langer vaart hoef je de tijdstippen van eb en vloed niet meer op te zoeken in de stroomatlas. Dan voel je je langzaam opgenomen in dat systeem van bewegend water en wind. De binnenvaartkapiteins die nu in hun airconditioned stuurhuizen met hun ladingen gasolie en grint de Oosterschelde oversteken, hoeven zich niets aan wind of stroming gelegen te laten liggen. Die luxe hadden de zeilschippers uit een eerder tijdperk niet. Zij wisten: ik moet op de eb uit Wemeldinge vertrekken om na de kentering de vloed mee te hebben richting Dordrecht. Of: van Zierikzee naar Willemstad kan met zuidwestenwind in één getij.

Zoute krachten

Voor een plezierjachtje in de Zeeuwse delta is het nu niet anders. Zonder duwtje van de stroming kan een zeiltocht eindeloos duren. En met weinig wind en stroom tegen kun je sommige routes helemaal vergeten. Terwijl je je uitlevert aan die zoute krachten, zie je panorama’s zich openen en dichtvouwen: de stompe toren van Zierikzee die achter de kop van het eiland Tholen tevoorschijn komt, bijna zelf een schip. De witte stoom van de kerncentrale bij Doel in België opeens in het oosten, waar je die totaal niet verwacht.

Lees ook: Eigenlijk zijn de Deltawerken nooit voltooid

Zulk gezichtsbedrog hoort bij de Zeeuwse delta. Op de kaart ligt Burghsluis waar je denkt dat het ligt, maar in werkelijkheid blijkt het achter de horizon een stukje naar links gevaren. De verre kerktoren die je ’s ochtends nog helder zag, is ’s middags opgelost in een luchtspiegeling.

Platbodem op de Oosterschelde ter hoogte van WemeldingeFoto Hans Steketee

Het ligt aan het licht en de lucht en het is niks nieuws. En het kan ook omgekeerd. Het belangrijkste vaarwater tussen Walcheren en Schouwen heet de Roompot. Het is een kilometer of twintig, maar de overkant – voor elke Zeeuw betekent ‘de overkant’ iets anders – kan vlakbij lijken. ‘Opeens, met één blik te overbruggen, valt verslonken/ De straklazuren Roompot tot een kronkelkreek/ Voor ’t land van Schouwen als verheerlijkt opgeblonken/ En stralend aangedreven uit zijn nevelstreek’, dichtte P.C. Boutens in 1931. Dat ‘schouwen’ had uiteraard twee betekenissen.

Zulke dubbelzinnigheid hoort bij de Oosterschelde. Je kunt tien keer op dezelfde plaats varen, zonder dat het één keer zo voelt. Het komt ook door de ongrijpbare horizon, waar de vaste punten nooit vast lijken te staan. En daarom zijn de nieuwe windparken zo jammer. Ze prikken de horizon vast en maken dit water kleiner. Misschien zijn die molens wel de echte afsluiting van de Oosterschelde.

    • Hans Steketee