Yap Hong Seng wist: een stad laat zich niet maken

In deze rubriek elk weekeinde een necrologie van iemand die recent is overleden. Stedenbouwer Yap Hong Seng (1944-2018) bleef niet hangen in mooie plannen.

Voor een interview in NRC, 1992. Foto Vincent Mentzel

Meten is weten, gissen is missen. Gevleugelde woorden van stedenbouwkundige Yap Hong Seng, die begin augustus op 73-jarige leeftijd overleed aan een zeldzame vorm van keelkanker. Hij laat zijn derde vrouw Nicolette van Mourik achter en twee kinderen, Tinco en Enzo, uit zijn tweede huwelijk.

Yap – hij was Chinees van oorsprong en de familienaam staat voorop – was gekend om zijn scherpe a-modieuze analyses en zijn originele denken. Mooie plannen maken kan iedereen, vond hij, maar de analyse en de uitvoering, daar kwam het voor hem op aan. „Een hartstochtelijke stedenbouwer”, noemde oud-wethouder Adri Duivensteijn hem in een In Memoriam op zijn eigen website.

Als dertienjarige was Yap Hong Seng uit Indonesië vertrokken, waar de Chinezen het onder president Soekarno moeilijk hadden. Hij en zijn broer gingen naar Nederland, hun ouders en zusje naar Maleisië. Yap zou altijd een dubbelzinnige verhouding tot zijn geboorteland houden. Hij was er heel kritisch over, maar hij droeg vaak Indonesische kleding, had een uitgebreide verzameling ikat-doeken en kookte en at graag Indonesisch. Iedereen die hem heeft gekend, herinnert zich dat hij altijd zakjes lekkernijen bij zich had, vaak spekkoek. Anderhalve maand voor zijn overlijden droeg hij zijn recepten over aan zijn zoon Tinco, die zelf kok is, vertelt zijn vrouw Nicolette. Enzo studeert bouwkunde in Delft.

Samen met Geert Mak, die net als ik verslaggever Amsterdam was bij NRC, interviewde ik Yap in 1992. Aanleiding waren de ambitieuze plannen van Rem Koolhaas’ OMA voor de IJ-oevers. „Amsterdam kan zich geen twee toplocaties permitteren”, zei hij. Over de maakbaarheid van steden was hij uiterst pragmatisch. „Ik heb geen verlangen om een stad vanuit het niets op te bouwen”, zei hij in het interview. „Een stad is tenslotte niets meer of minder dan een gestolde vorm van de samenleving.”

Privéfoto, 2018.

Dat de steden in de Randstad ooit één samenhangende ‘Deltametropool’ zouden worden, vond hij „een romantisch ideaal, dat is gebaseerd op de veronderstelling dat je een grote stad kunt máken”. In plaats van die droom achterna te jagen kon de politiek zich volgens hem beter toeleggen op de dringende praktische behoeften als meer ruimte voor wonen en werken in het westen van het land en een supersnelle ov-verbinding, bij voorkeur met een magneettrein.

Yap had naar de kunstacademie willen gaan om filmregisseur te worden, maar zijn vader zag daar niets in. Dus werd het bouwkunde aan de TU Delft, waar hij in 1971 cum laude afstudeerde. Daarna werkte hij bij het Economisch Instituut voor de Bouw en het bureau voor beleidsonderzoek RIGO. Met een in potlood geschreven brief op papier van zijn hotel in India – hij was een onvermoeibare reiziger – wist hij een functie als een van de directeuren van de Rijksplanologische Dienst te veroveren.

Daar was hij betrokken bij de Vierde Nota Ruimtelijke Ordening (1988), toen de nieuwste in een reeks grootse visies op de ontwikkeling van Nederland. Hij zou hierop terugkijken als de mooiste tijd van zijn werkzame leven. Na jaren van het dun uitsmeren van de verstedelijking over Nederland, ging in de Vierde Nota nota weer de aandacht uit naar de stad – tot opluchting van wethouder en later Tweede Kamerlid Adri Duivesteijn. „Door onze gesprekken voelde ik een bondgenootschap in de strijd voor het herstel van de stad”, schrijft hij.

Maar het bestaan van hoge ambtenaar ging toch knellen, en in 1989 begon hij voor zichzelf, eerst met Yap Advies en Planning (YAP) en vanaf 1996, samen met stedenbouwkundige Jan Kleine, met PAU – Bureau voor Planadvies & -Uitvoering. Hij was adviseur in onder andere Deventer, Utrecht en de binnensteden van Leiden en Den Haag.

Hij schreef twee boeken, Stad wie doet je wat (1981) over stadsvernieuwing, en De Stad als uitdaging: politiek, planning en praktijk van de stedenbouw (2000). Daarnaast had hij diverse bestuursfuncties, waaronder bestuurslid van het Nederlandse Architectuurinstituut en directeur van het Berlage Institute.

Een van de bekendste projecten van Yap Hong Seng is het verkeerscirculatieplan van Groningen, dat vooropliep in het vrijmaken van het centrum van doorgaand verkeer. Hij was ook een van de bedenkers van de Blauwe Stad, een nieuwe woon- en recreatie-omgeving in noordoost-Groningen die algemeen als minder succesvol wordt beschouwd.

Yap bleef reizen maken, ook met zijn vrouw, en genoot van het opbouwen van zijn kunstcollectie – hij verzamelde onder meer precolumbiaanse beelden. Zijn grote verzameling kralen en stenen breidde hij op elke reis verder uit. Ook maakte hij zelf kettingen. Op zijn uitvaart droegen verschillende vrouwen een echte ‘Hong Seng Yap’.

Suggesties voor deze rubriek naar necrologie@nrc.nl

    • Tracy Metz