Opinie

    • Robbert Dijkgraaf

Feynman: half genie, half kwibus

Op 11 mei jongstleden werd de honderdste geboortedag van Richard Feynman gevierd aan Caltech, de universiteit waar hij het grootste deel van zijn leven heeft gewerkt. Als geniaal natuurkundige, kernbombouwer, Nobelprijswinnaar, geliefd docent, hypnotiserend verteller, kwajongen, bestsellerauteur, grootinquisiteur van het ongeluk met de spaceshuttle Challenger, en bovenal dwarse denker, werd Feynman een cultureel icoon. Het bedrijf Apple gebruikte levensgrote foto’s van hem in de advertentiecampagne Think Different. Het grote publiek leerde hem kennen door de succesvolle bundel anekdotes Surely You’re Joking, Mr. Feynman! (1985). De titel refereert aan de reactie van de deftige echtgenote van een decaan in Princeton die de jonge promovendus vroeg of hij melk of citroen in z’n thee bliefde. Feynman antwoorde: „Graag allebei.”

Deze anekdote vat hem goed samen: melk én citroen. Zoet én zuur. Feynman combineerde graag twee tegengestelde gezichtspunten, zoals in de kwantumtheorie een elektron zowel een deeltje als een golf is. Abstracte wiskunde en intuïtieve fysica. Lange formules en simpele tekeningen. Diepe concentratie en puberaal kattenkwaad. Hij was een einzelgänger als onderzoeker en een bevlogen inspirator voor iedereen. In de woorden van zijn vriend en collega Freeman Dyson: „half genie, half kwibus.” Maar dan zeg ik wel: een kwantumkwibus.

Hij maakte mijn generatie duidelijk dat wetenschap niet alleen moeilijk en belangrijk is, maar ook cool en authentiek. In bijna iedere natuurkundige zit tegenwoordig een vleugje Feynman. Maar toen zijn boek uitkwam was niet iedereen even gelukkig. Collega’s vonden het jammer dat het publiek hem nu vooral zag als wijsneus en grapjas, en niet als briljante en vooral onversaagde denker. Net als bij Stephen Hawking is er de neiging te menen dat wetenschappelijke genialiteit en persoonlijke eigenaardigheden optellen tot 100 procent. Dat het ene ten koste van het andere gaat. Maar voor enkelen is het én-én.

De wiskundige Mark Kac vatte dit mooi samen. Hij zag twee soorten genieën: de gewone en de tovenaars. Gewone genieën zijn een veel slimmere versie van onszelf. Het is geen mysterie hoe hun geest werkt. Tovenaars zijn totaal anders. Zelfs als je begrijpt wat ze doen, heb je geen idee hoe ze het doen. Feynman was de ultieme tovenaar.

Buiten het auditorium in Caltech stond een beige bestelbus uit de jaren zestig, beschilderd met de beroemde Feynmandiagrammen, die de wisselwerkingen van elementaire deeltjes beschrijven. Een natuurkundestudent zag het busje eens rijden door Los Angeles en sprak bij een stoplicht de bestuurster aan. „Mevrouw,” zei hij, „weet u dat er Feynmandiagrammen op uw busje staan? Die gebruik ik iedere dag in mijn onderzoek!” Haar antwoord was: „Ja, dat weet ik. Ik ben mevrouw Feynman.”

Deze symbolen zijn wellicht Feynmans grootste bijdrage aan de fysica. Vlak na de oorlog wist hij met deze simpele figuren de ingewikkelde berekeningen van zijn collega’s te vangen. Dat waar anderen weken aan rekenden, kon hij in een paar minuten tekenen. Ook hier brak hij door een mentale muur. De kwantumtheorie was met mysterie omgeven. Je moest niet proberen je een voorstelling te maken van het gedrag van deeltjes, maar je overgeven aan abstracte algebra. Feynman redde de intuïtie en baande zodoende een weg voor latere doorbraken.

Op de conferentie sprak ook zijn jongere zus Joan, een astrofysicus, nu 91 jaar oud en pas kortgeleden met pensioen gegaan. Ze vertelde hoe Richard haar als jong meisje midden in de nacht uit bed haalde. Samen slopen ze door de pikdonkere buitenwijk van New York naar een golfterrein. Daar verscheen aan de hemel in volle glorie het noorderlicht. En, vertelde haar broer, het mooiste is: niemand weet hoe het werkt. Deze ervaring veranderde haar leven voor altijd. Zij besloot onderzoeker te worden, ook al vond haar moeder dat een vrouw daar niet geschikt voor was. Haar lange carrière wijdde ze aan de studie van het noorderlicht. De gift van haar broer.

Feynman inspireert nog steeds velen. Toen onze kinderen klein waren, hadden we de televisie de deur uit gedaan, of, beter gezegd, de kabel uit de muur getrokken. We keken alleen naar rustgevende kindervideo’s van Pippi Langkous. Na enkele jaren sloop ik ’s avonds laat naar beneden, vastgelopen in een berekening, om toch even stiekem televisie te kijken. Ik zette het toestel aan en onmiddellijk verscheen Feynman levensgroot voor me. Hij sprak me rechtstreeks toe met zijn vette New Yorkse accent. Over hoe moeilijk onderzoek kan zijn en hoe ieder nieuw resultaat het probleem alleen maar ingewikkelder maakt. Maar dat uit die verwarring uiteindelijk begrip en schoonheid ontstaan, maar dan van een hogere orde. Sprakeloos keek ik naar het scherm. Was dit een wonder? Sprak de grote geleerde me toe uit het hiernamaals? Natuurlijk niet, sprak het nuchtere Feynmannetje in mijn hoofd. Het was geen toeval dat ik midden in de nacht keek en het apparaat nog steeds afgestemd stond op mijn favoriete BBC-zender waar vaak laat wetenschapsdocumentaires te zien waren. Maar toch. De vonk. En, ja, het is goed gekomen met de berekening.

De wereld heeft meer Feynmans nodig. Richards én Joans.

Robbert Dijkgraaf is directeur van het Institute for Advanced Study in Princeton.
    • Robbert Dijkgraaf