Onze identiteit bestaat uit zo veel meer dan een baan

Loopbaan We hebben van onze passie ons werk gemaakt, en vinden geluk in een baan. Pas op, zeggen een filosoof, een onderzoeker en een psychiater. We hebben te hoge verwachtingen van ons werk. Dat geeft onrust.

Foto Juno Calypso

Een paar jaar geleden stond Louis Profeta, een medisch specialist uit de Verenigde Staten, als spreker op een artsencongres over burn-outs. Zijn lezing ging erover hoe het hem lukte om al vijfentwintig jaar met plezier zijn vak uit te oefenen, zonder uitgeblust te raken. Zijn antwoord was heel simpel: it’s just a job. Weliswaar een die hij zeer de moeite waard vond, schreef Profeta later in een blog op LinkedIn, maar niet een baan die zijn hele bestaan en identiteit bepaalde.

Zijn boodschap viel niet goed in de zaal. Vakgenoten reageerden boos, sommigen zelfs beledigd: arts zijn was zoveel meer dan gewoon werk. Het was een passie, iets waarvoor je geroepen bent!

Artsen zijn niet de enigen die zichzelf op deze manier met hun werk identificeren. Menig journalist is ook opgegroeid met het idee dat de journalistiek geen vak is, maar een levenswijze: journalist bén je 24 uur per dag. En eigenlijk lijkt het voor iedereen tegenwoordig een vereiste jezelf te ontplooien en geluk te vinden in je carrière. Lukt dat niet, dan zijn er een ontelbaar aantal coaches en cursussen, die je kunnen helpen alsnog die droombaan te vinden en je ware potentieel naar boven te halen.

Werk is een straf van God

Vraag mensen te vertellen wie ze zijn en ze beginnen meteen over hun werk, zegt filosoof Lammert Kamphuis (35). „In veel andere culturen is dat bizar, daar antwoord je op die vraag door iets te vertellen over je voorouders of religie.” Het bewijst volgens Kamphuis hoe zeer werk onze identiteit is gaan bepalen. „We hebben te hoge verwachtingen van ons werk”, zegt hij. „Je moet je passie vinden en daar je werk van maken. Als je zo’n motto telkens hoort, ga je denken dat dát de norm is.” En volgens de filosoof leidt dat vaak tot onrust. „Mensen denken dat er iets mis met ze is, omdat ze hun werk maar gewoon vinden of omdat ze helemaal niet zo’n duidelijk aanwezige passie hebben.”

Ooit keken we heel anders naar werk, vertelt Kamphuis, die dit onderwerp bespreekt in zijn boek Filosofie voor een weergaloos leven. „In de Griekse oudheid noemde Plato mensen die werkten voor hun geld ‘zielige loonslaven’ en in de Middeleeuwen werd werk gezien als een straf van God.” Kamphuis noemt ook de bijbelpassage waarin Adam en Eva uit het paradijs worden gezet, omdat ze van de verboden vrucht aten. Adams sanctie: hij moet zijn verdere leven zwoegen op het land. Zulke dingen zorgden ervoor dat mensen geen hoge verwachting van werk hadden.

Flexwerk, robotisering, langer doorwerken. Wat betekenen die ontwikkelingen voor de waarde die we hechten aan werk?

„Pas in de vijftiende eeuw veranderde die negatieve opvatting over werk, met de opkomst van het humanisme.” Binnen die denkwijze was er meer aandacht voor de ontwikkeling van het individu, vertelt Kamphuis. „Mede door de filosoof Rousseau en het romantische denken in de achttiende eeuw, ontstond het idee dat we allemaal een uniek talent hebben en dat het doel van je leven is die gave te vinden en te ontplooien.” Na de Tweede Wereldoorlog volgde een periode van revolutie tegen allerlei hiërarchische systemen, waarvan de strijd voor gelijkheid en seksuele vrijheid voorbeelden zijn. De Canadese filosoof Charles Taylor noemt deze periode het „tijdperk van de authenticiteit”, waarin dat van oorsprong romantische idee van zelfontplooiing veranderde in een massa-ideaal, legt Kamphuis uit. Zelf zag hij de laatste jaren ook nog iets anders gebeuren: het romantische ideaal ging een huwelijk aan met de homo economicus. Zelfontplooiing is bij uitstek iets geworden dat je in je carrière nastreeft.

Hartstochtelijke liefhebberij

Maar hoe gezond is dat nieuwe ideaal eigenlijk? Bij het woord passie denken we al snel aan iets positiefs: hartstochtelijke liefhebberij. Maar het gevaar van zo’n brede definitie is dat je denkt dat álles aan je werk leuk moet zijn. Een misvatting, zegt onderzoeker en investeerder Eva de Mol (33). „Een baan bestaat uit allerlei taken, waar je meer of minder gepassioneerd over kunt zijn.”

De Mol, die in 2016 promoveerde aan de Vrije Universiteit en het Amerikaanse Berkeley, onderzocht op basis van data van ruim 1.000 ondernemers, welke factoren bijdragen aan een burn-out. Verrassend genoeg was een van die factoren passie. „Er bestaan verschillende vormen van passie: harmonieuze en obsessieve”, vertelt De Mol. „Mensen met een harmonieuze passie hebben plezier in de verschillende aspecten van hun werk. Ze zijn intrinsiek gemotiveerd, omdat ze passie voelen voor het product dat ze ontwikkelen of de positieve impact die ze hebben op de samenleving.”

Obsessief gepassioneerden maakten de keuze voor hun baan vaker vanwege status, salaris of aanzien. Mensen die obsessief gepassioneerd zijn, hebben sterker het gevoel niet zonder hun werk te kunnen. „Ze presteren minder goed, ervaren meer stress en raken sneller burn-out.” Het verschil is volgens De Mol dat harmonieus gepassioneerden zichzelf meer vrije tijd gunnen, en hun werk daarom beter kunnen combineren met andere zaken in hun leven, zonder zich daarover schuldig voelen.

En dan heeft je mindset ook nog invloed, legt De Mol uit. „We hebben mensen met een growth mindset vergeleken met mensen die we destiny believers noemen.” Ofwel: geloof je dat je in staat bent een situatie te veranderen, en vind je het daarom niet zo erg dat je carrière soms even niet zo lekker loopt, of moet je carrière vanaf de start passend en leuk zijn en denk je dat als dat nu niet lukt, het nooit zal lukken? De Mol: „Het zal geen verrassing zijn dat obsessief gepassioneerden die ook nog eens in de categorie ‘destiny believer’ vallen, nóg sneller burn-out raken.”

Je zou denken dat medisch personeel de symptomen van stress feilloos herkent. Maar óók zij trekken niet snel aan de bel.

Maakbaarheid

Vurige verwachtingen van je baan kunnen je dus flink in de weg komen te staan. Misschien zelfs nog wel meer wanneer je je baan als een roeping beschouwt, zoals de artsen bij Profeta in de zaal deden. Zijn oproep was: zie je baan eens wat vaker als „gewoon maar werk”. Is dat dan een oplossing tegen al dat maakbaarheidsdenken?

Het is een terecht pleidooi, vindt Hans Rode (46), die als psychiater onder meer voor ziekenhuizen werkt, en daarnaast artsen traint hoe zij gezond hun werk kunnen doen. „Zeker in de huidige maatschappij, waarin zoveel artsen opgebrand raken, kan het helpen om in te zien dat ons werk ook maar gewoon een baan is.”

Ook Rode is opgeleid met het idee dat arts worden je roeping en je leven is, vertelt hij. Tegelijkertijd behoort hij tot een generatie waarbij deze opvatting langzaam aan het kantelen is. Hij ziet de houding van steeds meer jonge dokters veranderen. „Ze vertellen me met passie over het vak, maar ik hoor ze niet meer over een roeping. Integendeel: ze willen naast hun baan óók een ander leven: met het gezin, vrienden of een bijzondere hobby.” Dat verlangen is deel van een bredere maatschappelijke ontwikkeling, dus die ruimte begint te ontstaan, zegt Rode. „Twintig jaar geleden kon je een hoop van die dingen op je buik schrijven. Toen ik een tijdje parttime ging werken, kreeg ik de vraag of ik zwanger was. Flauw, maar zo ging dat.”

Toch is de werkdruk voor jonge artsen de afgelopen twee jaar weer fors hoger geworden, en kampt een op de vijf artsen-in-opleiding met burn-outklachten, bleek deze week nog uit een arbeidsomstandighedenonderzoek van belangenvereniging de Jonge Specialist. Volgens Rode is dat echter niet omdat artsen hogere verwachtingen stellen aan hun werk. „Het vak zélf is veranderd: er zijn ontzettend veel taken bijgekomen. En dat zie je ook in andere sectoren, zoals bij de politie of in de geestelijke gezondheidszorg. Er moet steeds meer in minder tijd.”

Des te belangrijker is het daarom om elkaar niet zo ontzettend op te jagen, vindt Rode. „Niemand kan acht uur per dag passievol zijn werk doen. Het is een op en neer gaande beweging, net zoals het leven zelf: soms ben je even extatisch over iets wat lukt of wat er gebeurt, maar een deel bestaat ook uit saaiheid en narigheden.”

Stoïcijns

Naast die hoge verwachtingen en een ongezonde vorm van passie, is er bovendien nog een risico, meent Kamphuis: we dreigen te vergeten dat onze identiteit uit zoveel meer facetten bestaat. „Passie kun je ook uiten in je relatie, in vriendschappen, in vrijwilligerswerk of in een hobby. Als mensen vragen wie je bent, begin dan eens niet over je werk, maar vertel van wie je een kind bent, welke vrienden je het meest gevormd hebben of wat je hobby is. Zo verleren we niet dat er vele andere dingen zijn, die samen onderdeel uitmaken van onze identiteit.”

Werk hoeft niet altijd zingevend te zijn, soms zit een droom op dat vlak er voor jou niet in. Maar ook dát is goed. „Al mag je dat bijna niet meer zeggen in een tijd waarin alles mogelijk lijkt”, zegt Kamphuis. „De stoïcijnen hebben daarvoor een mooie aanpak: maak een verschil tussen zaken waar je wel en geen invloed op hebt. Kun je er iets aan veranderen: werk er dan aan. Zo niet: accepteer je lot.”

    • Christel Don